vrijdag 28 december 2007

The Scramble For Africa’s Oil. Wat zijn de consequenties van de Chinese grondstoffenbelangen en -politiek in Afrika?

Comment op basis van een videofragment: China vs. U.S. The Battle for Oil, a film by J.-C. Klotz

In een vorige post was reeds kort gewezen op de groeiende Chinese grondstoffenbelangen op het Afrikaanse continent. Gezien de grote impact die de Chinese grondstoffenpolitiek heeft of kan hebben is het gepast even stil te staan bij de zgn. New Scramble for Africa. Zowel de VS (zie post ‘Bush lonkt opnieuw naar het zwarte continent’) als China hebben de ogen gericht op Afrika als (fossiele) energieleverancier. Het continent heeft immers niet alleen de minst ontgonnen oliereserves ter wereld, het is ook de enige regio waar nu ook nog nieuwe bronnen worden aangeboord. De snelgroeiende Chinese economie kampt met een acuut energietekort en wordt steeds meer afhankelijk van import van fossiele brandstoffen. Als antwoord hierop werkt de Chinese overheid aan wat misschien best een koortsachtige zoektocht naar nieuw oliecontracten kan genoemd worden. In het kader hiervan maakte president Hu Jintao in april 2006 persoonlijk een rondreis in Afrika die dan ook bekend staat als de ‘Chinese oliesafari’, waarbij onder meer een 110.000 vaten per dag contract werd afgesloten met Nigeria, de grootste olieproducent van Afrika. De aanwezigheid van de Chinese nationale oliebedrijven is reeds aanzienlijk in Soedan, en groeit gestaag in de rest van olieproducerend en grondstoffenrijk Afrika.

Kunnen we nu spreken over een Scramble for Africa’s Oil? Er zijn inderdaad tegenstrijdige belangen, en een toegenomen aanwezigheid van zowel de VS als China, de twee grootste energieverbruikers ter wereld, in Afrika. Beide partijen zetten alles in om hun (toekomstige) grondstoffenbelangen veilig te stellen. De Chinese handel met het Afrikaans continent (algemeen) groeide in de jaren 1990 alleen al met 700%, en in 2004 telde China voor $900 miljoen van de $15 miljard FDI in Afrika. China is nu de derde belangrijkste handelspartner geworden van Afrika.[1] Aan de kant van de VS werkt men aan een andere strategie om de greep op Afrika te versterken. (zie post ‘Bush lonkt opnieuw naar het zwarte continent’) Africom (African Military Command) zou volledig operationeel moeten zijn tegen midden 2008.[2]

De Chinese Strategie en haar consequenties voor het Afrikaanse continent

De Chinese strategie om grondstoffencontracten in de wacht te slepen is vrij eenvoudig en to the point, en wordt door China zelf het ‘win-win model’ genoemd: aid for oil. In ruil voor exploitatiecontracten biedt de Chinese overheid de Afrikaanse staten een totaalpakket van infrastructuurprojecten (gaande van wegennet over scholen en ziekenhuizen tot glasvezelnetwerken), competitieve leningen, investeringen, handelsakkoorden en zelfs wapenleveringen. Deze voordelen zijn bovendien extra competitief (t.o.v. leningen en ontwikkelingsprojecten van multilaterale organisaties zoals de Wereldbank) vanwege de Chinese garantie van non-interference in de nationale politiek van de betrokken landen. China houdt zaken en politiek volstrekt gescheiden en houdt muurvast aan het soevereiniteitsprincipe. Het is dan ook een vaste handelspartner van internationale Paria-regimes als die van Iran, Soedan en Zimbabwe.
Wat de casus Nigeria betreft heeft Hu Jintao op zijn ‘oliesafarie’ in 2006 een contract voor 100.000 vaten per dag in de wacht gesleept. De olie zal komen van twee boorinstallaties in de Nigerdelta en twee off-shore platformen. In ruil daarvoor investeert China voor 4 miljard US dollar in olie en andere infrastructuur. Dit jaar nog lanceerde China zelfs een communicatiesatelliet voor het Afrikaanse land.

Wat zijn nu de consequenties van de Chinese oliebelangen in Afrika? Het spreekt voor zich dat de Chinese strategie zeer overheidsgericht is. Wanneer we dit dan in verband brengen met de desastreuze olie-economieën die hieronder besproken zijn en de onconditionele financiële steun in ruil voor de exploitatiemogelijkheden kunnen we ons terecht vragen beginnen stellen naar het gebruik van die fondsen. Weinig daarvan bereikt de bevolking in de vorm van succesvolle ontwikkelingsprojecten. Bovendien worden langs deze weg regimes gesteund die grove mensenrechtenschendingen op hun naam hebben staan. Een extreem voorbeeld hiervan zijn de wapenleveringen aan de overheden van onder meer Soedan en Zimbabwe.
Aan de Chinese houding t.o.v. Soedan kleeft nog een belangrijke complicatie. Samen met Iran is het de belangrijkste olieleverancier aan China. Om haar oliebelangen veilig te stellen werkt China, naast de bovengenoemde wapenleveringen, in de VN Veiligheidsraad actief sancties tegen door de gesprekken te vertragen, de taal te verzachten, en zelfs openlijk te dreigen met een veto. Kortom, de Chinese initiatieven in Afrika zijn geenszins bezwaard met mensenrechtenbekommernissen.
Dit niet tegenstaande moet vermeld worden dat de Chinese investeringen in het continent sinds de jaren negentig een zekere economische groei hebben teweeg gebracht. Een andere positieve noot die kan gemaakt worden is het succes van sommige door China betaalde infrastructuurwerken.
De vraag die we ons daarbij moeten stellen is uiteraard of de economische voordelen van de Chinese all-in investeringen opwegen tegen de gevaren die uitgaan van de non-interference politiek en de onconditionele steun aan bovengenoemde regimes? De Chinese economie heeft een jaarlijks groeicijfer van 8%, en zou op die manier tegen 2030 (volgens de filmmakers) de energiebehoefte van de VS kunnen overschreden hebben. Stevenen we af op een echte confrontatie van grondstoffenbelangen, en wordt Afrika daarvan het toneel?

Bronnen

Film: J.-C. Klotz, China vs. U.S. The Battle for Oil (2007)

China and Nigeria agree oil deal. (26 april 2006). BBC News: http://news.bbc.co.uk/2/hi/business/4946708.stm

Pan, E. (18 januari 2006). Q&A: China, Africa, and Oil. The New York Times: http://www.nytimes.com/cfr/international/slot2_011806.html

Servant, J.-C. (25 mei 2005). China op jacht naar de Afrikaanse markt. Globalinfo: http://www.globalinfo.nl/content/view/609/41/

Thompson, C. (14 juni 2007). The Scramble for Africa's Oil. The New Statesman: http://www.newstatesman.com/200706180024

Afbeelding: Hu Jintao en Olusegun Obasanjo op de website van Radio France International: http://www.rfi.fr/actufr/articles/076/article_43353.asp

[1] Pan, 2006.
[2] Thompson, 2007.







Worse Than Iraq?

Worse Than Iraq? – Nigeria’s president and onetime hope for a stable future is leading his country toward implosion – and possible U.S. military intervention

Jeffrey Tayler – Atlantic Monthly, April 2006 (http://www.theatlantic.com/doc/200604/nigeria)




Al-Qaida graffiti adorns a wall in Kano, a northern Nigerian city which witnessed an uprising by the self-styled Nigerian Taliban. Photograph: AP




Korte bespreking van het artikel

Dit artikel sluit aan bij de artikels die Wouter reeds besprak (zie ‘Bush lonkt opnieuw naar het zwarte continent’). Ook hier wordt erop gewezen dat Nigeria wel eens de (militaire) aandacht van de VS zou kunnen trekken, omdat de onstabiliteit waar het land verkeert de olie-exploitatie, waarvan een groot deel voor de VS bestemd is, in gevaar zou kunnen brengen.

Nigeria is de vijfde grootste olieleverancier van de VS. Specialisten voorspellen dat de Golf van Guinea binnen 10 jaar zal instaan voor een kwart van Amerika’s voorziening in ruwe olie. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de administratie van Bush Nigeria sinds 11 september 2001 beschouwt als een alternatief voor de petrostaten in het Midden-Oosten. De Afrikaanse olie werd een ‘strategic national intrest’, wat betekent dat de VS militaire kracht zal gebruiken wanneer deze olie bedreigd wordt.

In het artikel wordt kort een aantal van Nigeria’s problemen opgesomd die zouden kunnen leiden tot verhoogde VS-aandacht. Ten eerste is het land een pure koloniale constructie, zonder enige interne samenhang. Het werd door de Britten opgedeeld volgens etnische en religieuze lijnen, wat een noord-zuid dichotomie veroorzaakte. Er is het moslimnoorden, droog en arm, maar met de helft van het bevolkingsaantal, en het christelijke zuiden, vruchtbaar en rijk aan olie, wier grootste etnische groepen, de Yoruba en de Igbo, samen slechts 39% van de bevolking uitmaken. Het noorden oefende lang controle uit over het leger, en daarmee ook over het zuiden. Ook de democratie bevoordeelt veelal het noorden, dat, verenigd door islam, als één blok stemt en daardoor vaak de verkiezingsuitslagen bepaalt. Verder is er de corruptie, de belangrijkste oorzaak van het feit dat de vele petrodollars de bevolking zelf niet ten goede komen.

De auteur eindigt met gelijkenissen te geven tussen Nigeria en Saoudi Arabië: Beide landen kennen corruptie, olierijkdom, een groeiende moslimbevolking én zijn van groot belang voor de VS als energieleveranciers.

Verhoogde aandacht van de VS in het Tsjaadmeer-bassin

Het artikel focust enkel op Nigeria. Maar Nigeria is niet het enige Afrikaanse land dat sinds 11 september 2001 vanuit de VS nauw in het oog wordt gehouden. Dat is ook meer algemeen het geval met de hele regio van het Tsjaadmeer-bassin (Lake Chad Basin), die gedeeld wordt door vijf landen: Kameroen, Tsjaad, Nigeria, Niger, de Centraal-Afrikaanse Republiek en Sudan. Vóór 11 september lag de regio voor internationale beleidmakers volledig in de periferie. Twee zaken hebben daar sindsdien verandering in gebracht. De aanleg van de Tsjaad-Kameroen oliepijplijn (een project gesponsord door de Wereldbank en voltooid in 2003) en de ‘War on Terror’ van de VS hebben het Tsjaadmeer-bassin van de periferie naar het centrum van globale geostrategische belangen verplaatst.

Een eerste oorzaak van de gestegen aandacht is de groeiende vraag naar olie in de VS, de kwetsbaarheid van eerdere olieleveranciers en het verschijnen van nieuwe oliestaten in het Tsjaadmeer-bassin. In de zoektocht naar alternatieve bronnen van olievoorziening viel het Amerikaanse oog op Afrika. Het Tsjaadmeer-bassin is één van de drie grote oliebassins in Afrika (de andere twee zijn de Golf van Guinea en West-Afrika) en strekt zich uit doorheen de vijf landen. De enorme olievoorraad die er aanwezig is, zou een oplossing kunnen zijn voor de oliecrisis van de VS. De recente aanbouw van de Tsjaad-Kameroen Oliepijplijn versterkt het economische belang van de regio.

Het is dan ook vanuit dit economisch belang dat het bassin een geopolitiek front is gaan vormen in de ‘War on Terror’. Maar is er reden tot ongerustheid in het kader van terrorisme? De VS beschouwen de regio als een domein dat onder toenemende invloed staat van Al-Qaeda en andere terroristische netwerken, omdat het om arme en slecht bestuurde moslimgebieden gaat. In het kader van het Pan-Sahel Initiative ontvingen Tsjaad, Niger, Mauritanië en Mali reeds militaire training en uitrusting, vooral voor anti-terroristische eenheden. Hiervoor werken de VS samen met de lokale overheden, wat misbruik vanwege de elites (zij gebruiken de lokaal getrainde troepen bijvoorbeeld voor eigen doeleinden) en groeiende ongelijkheid teweeg brengt. In Tsjaad bijvoorbeeld kan president Idriss Déby, ondanks schendingen van de mensenrechten begaan door zijn regime, er vrij zeker van zijn dat hij aan de macht zal blijven, zolang de VS geïnteresseerd zijn in de Tsjadische olie.

Verder ontstaat er in het Tsjaadmeer-bassin een herleving van de islamitische identiteit. Het proces van het creëren van een nieuwe moslimidentiteit in de regio wordt precies gecompliceerd en versneld door de economische en strategische ambities van de VS, omdat deze ambities botsen met die van Arabische islamitische activisten. Aspecten van deze nieuwe identiteit zijn een groeiend anti-Amerikanisme, een toenemend aantal moslimactivisten en een versterking van de religieuze praktijken. Dit alles leidt tot een meer publieke islam (vooral in de steden wordt meer tijd en ruimte besteed aan islam) en een meer radicale islam, met andere woorden: precies het tegenovergestelde van wat de VS willen.[1]

Dezelfde mix in Nigeria?

Nigeria’s belang als olieleverancier kwam in deze blog reeds uitgebreid aan bod. De laatste decennia bestaat er echter ook veel geweld tussen moslims en christenen in Nigeria. Duizenden werden gedood in de recente jaren van religieus geweld, waarbij moslims noordelijke christelijke enclaves aanvallen en christenen moslims in het zuiden vermoorden. De terugkeer naar de democratie in 1999 heeft ertoe geleid dat populistische politici erin slagen zich te laten verkiezen op basis van de belofte van de uitbreiding van het islamitisch recht. Voor een groot deel van de moslimbevolking staan de shari’a (recent ingevoerd in 12 van de 36 staten) en de democratie in nauw verband. In het zuiden maken dan weer snel groeiende christelijke fundamentalistische sekten hun opmars, die onderling competitie voeren door middel van proselitisme onder de moslims.

Het democratisch bestel slaagt er soms in oplossingen te bieden voor de religieuze conflicten. Dat was bijvoorbeeld het geval voor de staat Kaduna (in de noordelijke helft van Nigeria), waar christelijke minderheden de garantie kregen dat de shari’a niet op hen zou worden toegepast.[2]
Kan de aanwezigheid van een fragiele democratie een eventuele VS-interventie in Nigeria tegenhouden? Of zal het economische gewicht van het zwarte goud doorwegen, indien de bedreiging van de olie voor de VS onaanvaardbaar wordt?

[1] G.L. Taguem Fah (2007, januari), The War On Terror, the Chad-Cameroon Pipeline, and the New Identity of the Lake Chad Basin, Journal of Contemporary African Studies 25, 1, pp. 101-117.
[2] D. Kew (2007, november), Why Nigeria Matters, First Things: A Monthly Journal of Religion, Culture and Public Life; C. McGreal (2007, 3 mei), Nigeria: Christians live in dread as new, local Taliban rises in the north, The Guardian(http://www.guardian.co.uk/international/story/0,,2070908,00.html).

Shell over Shell in Nigeria...


INLEIDING
In deze laatste commentaar neem ik het filmpje ‘Shell in Nigeria’ als uitgangspunt. ‘Shell in Mayo: a new Nigeria?’ handelt echter over dezelfde problematiek maar in Ierland. Hierdoor wil ik eveneens een nuttige en relevante vergelijking maken om op die manier de voornaamste directe gevolgen van de olie- en gas ontginningsoperaties, meer specifiek in Nigeria en Ierland, bloot te leggen. Volgens mij vormen deze twee filmpjes een duidelijk beeld van hoe éénzelfde oliemaatschappij in totaal verschillende contexten tot min of meer dezelfde reacties of uitkomst kan leiden. In de filmpjes komen dan ook heel duidelijk gelijkaardige klachten en problemen aan bod. Het gaat hier zowel over ecologische, sociale als politieke problemen. In een tweede sectie leek het mij boeiend om te kijken of op de website van Shell Nigeria ook meldingen van dergelijke omstandigheden zijn. In de derde en laatste sectie sluit ik af met enkele bedenkingen.

SHELL IN NIGERIA=SHELL IN (MAYO) IERLAND!?
Beide filmpjes schetsen de gevolgen van de oliewinning. In ‘Shell in Nigeria’ wordt Shell samen met de Nigeriaanse staat als de grote verantwoordelijke voor alle problemen in de regio naar voor geschoven. In het filmpje wordt de vraag wie verantwoordelijk gesteld wordt, als onbelangrijk beschouwd, want de helft van de bevolking zal sowieso sterven. De negatieve gevolgen van de oliewinning in de Niger Delta zijn veelzijdig. Eerst en vooral zijn er heel wat gevolgen van ecologische aard. De voornaamste hierbij zijn ‘gas flaring’ en de grond- en watervervuiling die de vele ‘oil spills’ teweeg brengen. De leefomstandigheden van de mensen in de regio worden hierdoor danig beïnvloedt. Naast de verplichte verhuizingen om plaats te maken voor infrastructuur dient de lokale bevolking ook hiervoor soms noodgedwongen te verhuizen. Hierbij komt dat voor beide gevallen de beloofde compensatie dikwijls niet uitbetaald wordt.
Sommige van de socio-economische en politieke gevolgen die in de filmpjes aangekaart worden, kwamen al uitgebreid aan bod in andere commentaren op deze blog. Toch zet ik de meest voornaamste impacts nogmaals op een rijtje. Nigeria is het zesde ‘slechtste’ land in de wereld. Met een miljardenbusiness als die van de oliewinning had het anders gekund. 80 procent van het inkomen van de staat is afkomstig van oliewinning, maar slechts heel weinig komt, mede door corruptie, bij de plaatselijke bevolking terecht. Hierbij komt dat Shell, met een al dan niet verborgen samenwerking met de staat, de ganse regio controleert. Dit is mede mogelijk door het bezitten en bewapenen van de politiemachten. De situatie wordt complexer als je de etnische verscheidenheid in combinatie met de verdeel- en heers tactiek van de oliemaatschappijen (en de staat) in acht neemt (cf. o.a. basistekst). Uit het voorgaande blijkt dat de lokale bevolking dikwijls de dupe is van het wildkapitalisme (grote winstaccumulatie door middel van een beperkt aantal gerichte investeringen) van de oliebedrijven.
Wat het filmpje ‘Shell in Mayo: a new Nigeria?’ ons vertelt lijkt voor mij gelijkaardig. Aan de hand van beide filmpjes wordt duidelijk dat oliemaatschappijen over een ongelooflijke macht beschikken. In het filmpje wordt ook letterlijk verwezen naar de situatie in Roscourt (Ierland) en de Niger Delta. Net zoals Nigeria MOSOP heeft met Ken Saro Wiwa heeft Ierland de ‘Rouscourt five’. Ken Saro Wiwa werd na een oneerlijk proces opgehangen en de ‘Rouscourt five’ werden zonder aanklacht opgepakt omdat ze Shell hinderden in het uitvoeren van hun operaties. Het verzet gebeurde in Ierland minder gewelddadig dan in Nigeria, maar de oorzaken van het protest zijn wel dezelfde. In beide gevallen gaat het om verzet tegen het almachtige Shell, en in beide gevallen na heel veel protest van de ganse bevolking kan Shell zijn activiteiten verderzetten. De nadelen in het filmpje van ‘Shell in Mayo: a new Nigeria’ zijn gelijkaardig: de Ierse staat haalt geen voordelen uit het feit dat Shell gas zal ontginnen in Ierland, er wordt geen werkgelegenheid of infrastructuur gecreëerd die ten goede zal komen van de Ierse bevolking, enzovoort. Één van de grondslagen van het protest in Ierland is dan ook dat Shell de ganse Ierse democratie ondermijnt. Een betoginsplakkaat zegt: “we are Irish citizens, not Shell subjects!”. Ook Ken Saro Wiwa was niet tegen de olieontginningen, hij wilde enkel dat de opbrengst de lokale bevolking ten goede kwam. Maar alle goede bedoelingen ten spijt: Shell produceerde, al dan niet met enkele sluitingen, verder. Vooraleer over te gaan tot de volgende sectie wil ik er nog op wijzen dat ik er mij bewust van ben dat ik de rol van de staat bij dit ganse gebeuren niet genoeg benadruk.

SHELL OVER SHELL
Maar wat wil Shell zelf allemaal kwijt over deze aantijgingen? Ik kwam op het idee om op de website van Shell te surfen. Het is belangrijk te vermelden dat ik hierbij enkel de website van Shell Nigeria raadpleegde. Naast heel wat technische gegevens over het bedrijf, belandde ik uiteindelijk bij de onderdelen ‘Community Involvment’ and ‘Sustainable Development’: “Nigeria places great importance on making a difference in the environment in which people live and work, fostering and maintaining relationships with communities, taking care to be a good neighbor and contributing to sustainable development initiatives.” Als je doorklikt merk je dat Shell aan heel wat programma’s meewerkt en financiert. Bij de ‘community involvment’ zijn de vier grote thema’s: gezondheid; educatie; jeugdontwikkeling en sport; en tenslotte ook nog zakelijke ontwikkeling. Deze thema’s zijn telkens nauwkeurig uitgewerkt tot nauwkeurige geformuleerde doelstellingen. Wat de ‘sustainable development’ betreft, daar gaat het vooral over het beheer van grond en lokale culturen, overdracht van technologie en ecologische uitdagingen. Ook hier is elk onderteel uitvoerig beschreven.
Als je enkel de site van Shell Nigeria bekijkt ziet het er allemaal behoorlijk goed uit en is er geen vuiltje aan de lucht. Vooral na het lezen van de volgende zin: “With a presence dating back 60 years, Shell Companies in Nigeria have contributed to the economic development of the most populous African country.”

CONCLUSIES
Desondanks de vele ecologische, politieke en socio- economische problemen gaat het alsmaar beter en beter in Nigeria. De economische groeicijfers zijn aanwezig en met het vele geld dat Shell investeert in de omgeving waar ze werken gaat het land een geweldige toekomst tegemoet… Dit blijkt toch uit het laatste citaat van de vorige sectie.
Ik ontken niet dat de economische groeicijfers van Nigeria gestegen zijn, ik ontken evenmin dat de olie industrie heel wat geld in het laatje brengt. Ik ontken echter wel dat de (economische) ‘ontwikkeling’ van het land op volle gang is. Want veel meer dan een uiterst beperkte elite zal het oliegeld niet bereiken. Nieuwe investeringen blijven uit en eveneens blijkt uit verscheidene berichtgevingen dat de financiële steun van Shell niets meer is dan enkele witte olifanten in een overwoekerd natuurpark. In het filmpje wordt eveneens verklaard dat slechts 0,000007 procent van de oliewinsten naar de ‘ontwikkeling’ van de regio gaat. Zo verwonderlijk is het dus niet dat Nigeria het zesde ‘slechtste’ land van deze wereld is (cf. supra). In Ierland is los van de verschillende contexten hetzelfde aan de hand, enkel zijn de niet gedane investeringen hier veel minder voelbaar en is de uiteindelijke uitkomst van de ontginning zachter dan in Nigeria.
Uit deze commentaar blijkt dat Shell, dat ik even plaats voor het gros van de oliemaatschappijen, voor niets of niemand wijkt. Als het nu gaat over olie of gas in Nigeria, Ierland, Angola, Irak, …, de plaatselijke bevolking zal, met of zonder de steun van de staat, het onderspit delven. Volgens mij is het enige dat dergelijke situaties in de toekomst kan vermijden, een grondige mentaliteitsverandering bij de olieproducenten, maar zeker en vast ook bij de olieconsumenten en olieconsumerende landen…

BRONNEN
Shell in Nigeria
http://www.youtube.com/watch?v=GBDWXk8dO94
Shell in Mayo: A new Nigeria?
http://www.youtube.com/watch?v=pLpDmh4BU8w&feature=related
Website Shell Nigeria:
http://www.shell.com/nigeria

Nieuwe President van Nigeria Umaru Yar'Adua: Brenger van 'Good Governance'?


Comment op videobestanden

- Nigeria’s questionalbe President sworn in, http://nl.youtube.com/watch?v=iTtSMzphNMA&feature=related
- Inside Story – Nigerian elections – 18 april 07 – Part 01/02, http://nl.youtube.com/watch?v=oXSFg0_vfDQ;http://nl.youtube.com/watch?v=SiMlPK8EmmA
- Inside Story – Nigeria’s new president – 29 may 07 – Part 01/02, http://nl.youtube.com/watch?v=TdtocTKKbqI; http://nl.youtube.com/watch?v=Pk6qD4LIOVI

Kan de nieuwe Nigeriaanse president verandering brengen in de situatie in het land en in de Niger Delta?

Tijdens de Nigeriaanse verkiezingen op 21 april 2007 werd een nieuwe President verkozen, Umaru Musa Yar'Adua. Deze man stond acht jaar lang aan het hoofd van Katsina, een deelstaat in het Noorden van Nigeria. Hij is lid van de dominante partij, de People’s Democratic Party (PDP). Yar’Adua dient gedurende zijn mandaat antwoord te bieden aan verschillende uitdagingen.

Allereerst dient hij te werken aan de legitimiteit en geloofwaardigheid van zijn presidentschap: Yar’Adua werd immers naar voor geschoven door de vorige President Obasanjo, en bovendien gingen de verkiezingen gepaard met geweld en geenszins met transparantie, zo ook buitenlandse observatoren van de verkiezingen. De oppositiepartijen onder leiding van Muhammadu Buhari van de All Nigeria People's Party (ANPP) en Atiku Abubakar van het Action Congress (AC), staan sceptisch tegenover de verkiezingsuitslag, zeker aangezien Obasanjo nog steeds invloed zal hebben als partijvoorzitter van de PDP. Er wordt beweerd dat deze verkiezingsuitslag onjuist is, en dit het falen van de democratie betekent. Revolutie is het antwoord waar sommige oppositieleden voor pleiten.

Yar’Adua wordt omringd door allerlei staatsmannen die bekend staan omwille van hun corruptie. Zij hebben mede gezorgd voor de verkiezing van deze presidentskandidaat. Zal Yar’Adua de moed hebben om in zijn strijd tegen corruptie ook te voeren tegenover deze ‘broodheren’?
In deze uitzending wordt gezegd dat de onder Obasanjo opgerichte organisaties (EFCC, IPCP) ter bestrijding van corruptie slechts schijn zijn, in niet naar behoren en grondig functioneren.

Voorts zet Yar’Adua de crisis in de Niger Delta hoog op zijn presidentiële agenda: hij pleit voor het op gang brengen van een dialoog met de milities in deze landstreek en voor een staakt het vuren. Dit lijkt op het eerste zicht een erg verschillende aanpak van deze van zijn voorganger, die de crisis vooral manu militari aanpakte, om zo het geweld in te perken, maar geenszins het onderdrukte. De groeperingen in de Niger Delta verklaarden volgens de uitzendingen van Al Jazeera dat ze een dialoog met de president en andere groeperingen overwogen.Vincent Magombe van Africa Inform International stelt in de uitzeinding van ‘Inside Story’ voor dat Yar’Adua bijvoorbeeld de leiders van de milities die gevangen zijn genomen, vrijgelaten kunnen worden. Hij erkent op deze manier dat deze groepen ijveren voor een ‘fair share’ van de olieopbrengsten, die nu steevast verdwijnen in de zakken van de politici.

“Good governance” was zeker geen term die het regime van Obasanjo kon beschrijven. Kan Yar’Adua dit waarmaken? De andere politici die zijn familie voortbracht, waren op zichzelf staande mannen. Bovendien stamt hij af van een politieke traditie van het Noorden van het land, die verschilt van de houding van politici in het christelijk zuiden. Als ook Umaru Yar’Adua dit kan vertalen in zijn beleid, en zich kan weten los te wrikken uit de greep van obasanjo, is er mogelijks een kan op slagen, hoewel de strubbelingen bij de verkiezingen reeds een legitimiteitsprobleem impliceren voor de President zelf. Good Governance in Nigeria zou dan betekenen dat de inkomsten van de olie-industrie op een systematische en transparante wijze geïnvesteerd zouden worden in ontwikkeling van het land en haar inwoners, onderwijs, gezondheidszorg, …

“Nigerian corruption: We are all guilty.” Van M. Siollun (17 December 2007)

Comment op een tijdschrift artikel, op de website van een Nigeriaanse krant, The Port-Harcourt Telegraph (geraadpleegd op 27 december 2007).

("Max Siollun is a historian and commentator on Nigerian political and governmental issues, with a focus on those pertaining to Nigerian history and the Nigerian military’s participation in politics. He has written a number of articles regarding Nigeria ’s military coups, and is the author of books on the origins of military engagement in Nigerian politics" (http://www.nigeriavillagesquare.com/, 27 december 2007).

Siollun beschrijft hoe hij de corruptie ervaart in Nigeria, en lijkt hier voornamelijk vrij pessimistisch tegenover te staan. De in Amerika gevestigde historicus opent zijn artikel met volgend startpunt: “Nigeria is internationally famous for three things: oil, its Super Eagles football team, and its spectacular government corruption”( http://www.thephctelegraph.com/, 2007). Siollun beaamt dit, maar trekt het begrip corruptie verder open. Hij stelt dat corruptie deel is gaan uitmaken van de Nigeriaanse cultuur en dus verder rijkt dan louter de rangen van overheidsmedewerkers: Hij merkt droog op dat de Nigerianen gepercipieerd kunnen worden als een soort “commodity”: ze verkopen hun ziel aan de hoogste bieder.

De corruptie wordt door de gemeenschappen zelf bevorderd: bevriende personen die werken voor de overheid worden dadelijk gevraagd om gunsten en voordelen. Indien men zich niet verrijkt gedurende zijn mandaat bij de overheid wordt men afgeschilderd als “foolish”. De Nigerianen zijn dus in zekere zin hypocriet, en zijn zeker niet bereid afstand te doen van de voordelen die ze krijgen door corruptie en patronage ten voordelen van een hardere aanpak van corruptie in het algemeen. De instituties die zich tegenwoordig engageren met anti-corruptieacties (the Economic and Financial Crimes Commission en the Independent Corrupt Practices and Other Related Offences Commission) worden dan ook ongeloofwaardig en selectief geacht. (Zo worden er vragen gesteld bij deze instituties in een artikel in de Daily Trust, 22 December 2007: Nigeria: EFCC/ICPC/CCB - One Merger, Many Questions, http://allafrica.com/stories/200712220006.html). Echter, zo stelt Siollun, indien deze instituties elke corrupte persoon in Nigeria zou arresteren, zouden de gevangenissen overvol zitten met onder andere de overgrote meerderheid van de aanwezige werkkrachten van het land.

Siollun ziet twee mogelijk oplossingen:
Allereerst ziet hij enigszins heil in een amendement van Sectie 308 van de Nigeriaanse Wettekst, aangezien deze de immuniteit vastlegt van de staatsambtenaren. Deze ambtenaren weten zich zo boven de wet geplaatst, in een staat van straffeloosheid. De politieke voorwaarden om dit amendement door te voeren zijn zo goed als onhaalbaar.
Een tweede weg vooruit ziet Siollun in een morele revolutie, waarbij hij de verantwoordelijkheid voornamelijk legt bij het onderwijs van de volgende generatie, om zo weerwerk te bieden aan het morele verval dat hij herkent in de Nigeriaanse samenleving.

Kritische bedenkingen:
Corruptie is in een arme samenleving zoals deze in Nigeria (waarin de olieopbrengsten op zeer ongelijk wijze verdeeld worden onder de bevolking) een bijna logische manier om te overleven, status te verkrijgen en macht. Indien de familie een belangrijke sociale entiteit is, is het inderdaad logisch dat je hen help als dit kan, als je toegang hebt tot geld en midelen van de overheid. Waar Siollun op wijst is dat dit in Nigeria niet enkel gebeurt op de hoogste niveau’s van de samenleving, maar evenzeer op straat, aan bezinestations,… De gehele bevolking lijkt hiervan doordrongen. De oplossing die Siollun hiervoor oppert lijkt mij niet echt ideaal: te veel verantwoordelijkheid wordt gelegd bij het onderwijs, dat steeds de waarden van de maatschappij mee reflecteert in haar praktijken en geen redmiddel van de corruptie kan vormen in een gecorrumpeerde samenleving. Voorts legt Siollun de mogelijkheid tot ingrijpen bij de ‘de volgende generatie’, ‘de ongeborenen’. Op deze manier schuift de tijd van actie steeds op en blijft deze steeds in het verschiet, zonder dat er iets verandert aan de situatie.

Siollun meent dat het probleem zich onder andere stelt in de psychè van de Nigeriaan. Het beïnvloeden en zelfs ‘indoctrineren’(dixit Siollun) zal bijgevolg een lange tijd moeten duren, en hierop zou een terechte kritiek gegeven kunnen worden: vervalt men zo niet in een humanitair imperialisme, waarbij de Westerling (Siollun woont in Amerika en dit beïnvloedt ongetwijfeld zijn visie) de waarheid en de tips ’n tricks voor een betere samenleving uit z’n mouw kan schudden?

De auteur verbindt aan het wijdverbreid fenomeen ‘corruptie’ , waaronder hij ook het stelen en illegaal aftappen van olie aan pijpleidingen rekent, het gebrek aan een identiteit gebaseerd op ‘nationaliteit’. Immers, gewone burgers stelen op die manier van zichzelf, van hun eigen overheid, al wordt dit geenszins op deze manier gepercipieerd (en evenmin weerspiegeld in wat er in praktijk met de opbrengsten van de olie-industrie gebeurt). Zou dit dan geen deel van een oplossing kunnen betekenen: het aanwakkeren van nationalistische gevoelens en belangen? En is dit mogelijk in indien corruptie zo welig tiert?

Zoals reeds gesteld in het basisartikel van deze thematische blog, dient de Nigeriaanse overheid werk te maken van transparancy en het bestrijden van corruptie in het land. Met dit artikel trachtte ik dit aspect, dat volgens Siollun op bijna een 'basische' manier deel uitmaakt van het leven in Nigeria, te verduidelijken. Zo wordt ok duidelijk dat deze taak ('corruptiebetrijding'), bij voorkeur weggelegd voor de Nigerianen zelf zeker geen evidente aanpak of uitkomst heeft.

Het artikel van Max Siollun is terug te te vinden op http://www.thephctelegraph.com/stories/December,%202007/1712feat_02.html, geraadpleegd op 27december 2007.