maandag 24 december 2007

Corporate Social Responsibility. Een toekomst voor Nigeria?



Derde wereld-economieën worden steeds meer gedomineerd door multinationale organisaties, en zullen dit in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid nog veel meer zijn. Daarom is het relevant even stil te staan bij een relatief recent begrip in het ontwikkelingsgebeuren in de Niger Delta: Corporate Social Responsibility (CSR). In de basistekst werd verschillende keren gewezen op het averechts effect van de ‘corporate-driven’ ontwikkelingsinitiatieven van SPDC (Shell Petroleum Development Company), die er niet in slagen een houdbare ontwikkeling (sustainable development) op de been te brengen, en zelfs specifieke conflicten in de hand werken of uitlokken.
Corporate Social Responsibility kunnen we begrijpen als door multinationale ondernemingen gefinancierde en uitgevoerde projecten inzake milieu, tewerkstelling en ontwikkeling in lokale gemeenschappen. De oliesector is, door de enorme ecologische, economische en sociale impact op de ‘gastgemeenschappen’ (zie vorige posts), reeds lang één van de belangrijkste spelers op deze ontwikkelingsmarkt. Het besproken artikel concentreert zich op deze laatste categorie van CSR. In ‘The false developmental promise of Corporate Social Responsibility’ analyseert Frynas de motieven en daaruit voortkomende specifieke problemen van dergelijke ontwikkelingsinitiatieven. Hij doet dit niet specifiek voor de Niger Delta, maar steunt grotendeels op zijn jarenlange onderzoek in diezelfde regio.

Motieven

De auteur argumenteert dat, naast externe druk van NGO’s en bevolking, CSR-strategieën worden ingezet met het oog op een competitief voordeel bij het verwerven van olieconcessies van de overheid, waarbij dan middelen langs (corrupte) overheidsambtenaren wordt gekanaliseerd. Daarnaast wordt CSR ingezet om een stabiele werkomgeving te garanderen. In de Nigeriaanse praktijk komt het dan uiteindelijk neer op een afkopen van de lokale gemeenschap. In het geval van SPDC wordt bijvoorbeeld bij de bouw van nieuwe pijpleidingen een ontwikkelingsbudget toegekend dat loopt tot de bouw is afgewerkt. Het spreekt voor zich dat dergelijke korte initiatieven om de rust te garanderen niet beantwoorden aan de noden van de getroffen gemeenschap, maar eerder afkoopprojecten zijn voor lokale elites. Andere projecten geven gevolg aan negatieve publiciteit, wat Frynas ‘managing external perceptions’ noemt, en zijn in wezen public relations initiatieven. Ook hier is geen sprake van enig engagement tot lange termijn ontwikkeling, en worden de projecten gekozen op basis van publiceerbaarheid. In extreme gevallen, waaronder ook door Shell in Nigeria in de jaren 1990 zijn zelfs projecten gepubliceerd die nooit zijn uitgevoerd. Tenslotte haalt de auteur interne olie-industrie motieven aan: CSR als een manier om de werknemers een positief beeld te geven van het bedrijf en de oliesector.
Al deze motieven voor CSR hebben in de eerste plaats specifieke zakelijke doelen voor ogen, en de projecten die hieruit voortkomen overstijgen dan ook zelden eenvoudige gebaren en giften. Er is geen sprake van specifieke lange termijn ontwikkelingsdoelstellingen. Projecten worden willekeurig opgezet, al even willekeurig stopgezet en werken ongelijkheid en corruptie in de hand. Ter illustratie haalt de auteur een gelekt intern rapport van Shell uit 2001 aan dat stelt dat minder dan een derde van de projecten in opdracht van Shell volledig succesvol waren. De laatste jaren is er evenwel een evolutie in CSR naar meer gesofisticeerde ontwikkelingsprojecten, het flagrante mislukken van voorgaande initiatieven in de regio heeft de reputatie van de oliesector immers geen goed gedaan.

Evolutie en problemen van CSR in Nigeria

De laatste jaren heeft het CSR discours en ook de praktijk een stap gezet naar sustainable development. Een voorbeeld hiervan is de Sustainable Community Development unit (SCD) van SPDC en verschillende vrouwgerichte micro krediet projecten in de Nigerdelta. Het potentieel van deze CSR projecten blijft evenwel zeer beperkt. De belemmeringen voor de werkbaarheid van CSR in Nigeria zijn talrijk. Naast de verregaande corruptie en het gewapend conflict zijn de belangrijkste de volgende: Het falen de lokale bevolking bij de projecten te betrekken, noch bij de ontwikkeling, noch bij de implementatie van de projecten slaagt men er in de lokale bevolking te consulteren of te mobiliseren. Hiermee verbonden is de zgn. ‘corporate attitude’ van de CSR werkers, die niet is aangepast aan de complexe sociale realiteit. Men slaagt er evenmin in de CSR initiatieven in te schakelen in een breder ontwikkelingsplan, waardoor de inspanningen, hoeveel er ook in geïnvesteerd is gereduceerd worden tot verspreide druppels op de hete plaat. In sommige gevallen heeft dit falen in Nigeria zelfs tot lokale conflicten en negatieve ontwikkelingsconsequenties geleid. Een voorbeeld hiervan is het concept van de gastgemeenschap, vlak bij het oliebedrijf die het meeste steun ontvangt, dat in verschillende situaties tot afgunst en gewelddadige conflicten heeft geleid.

Conclusies
Deze korte analyse van de motieven en concepten van CSR van de oliesector in Nigeria heeft een aantal belangrijke pijnpunten van deze ontwikkelingsinitiatieven blootgelegd. Hoewel de impact van de aanwezigheid van de olie-industrie op macroniveau enorm is (zie vorige posts) situeren alle CSR initiatieven zich op het laagste niveau, namelijk dat van de families en dorpgemeenschappen. Kortom: zelfs wanneer CSR initiatieven slagen in hun opzet, is de impact hiervan zeer beperkt. De belangrijkste en voor de toekomst meest onrustwekkende vaststelling is echter dat het falen van CSR in het algemeen terug te voeren is op de initiële motieven ervan. De business agenda die er aan de grondslag van ligt is in die zin de belangrijkste belemmering voor het slagen van CSR initiatieven.

Bieden deze stijgende ‘ontwikkeling’-budgetten dan helemaal geen toekomstperspectieven voor de door de ‘Dutch disease’ geteisterde bevolking? Het is duidelijk dat voor deze complexe economische en sociale problematiek geen eenvoudige oplossing bestaat. Specifiek voor de CSR-gelden lijkt de enige mogelijke oplossing evenwel het verbreken van de link tussen de business agenda en projectontwikkeling, en concreet het kanaliseren van deze budgetten langs multilaterale organisaties (macro) en NGO’s (micro). De vraag die we ons hierbij moeten stellen is of er hoe dan ook een toekomst bestaat voor CSR buiten de zakelijke en marketingmotieven van de filantropie. Zelfs wanneer NGO’s ingezet worden beslist de geldstroom nog steeds mee in de keuze van projecten. Zoals de afbeeldingen bij deze korte tekst laten zien speelt de publiceerbaarheid van projecten een cruciale rol.

“Amateurism in the way that things are done is beyond belief, for example, the way the projects are chosen, until I understood that this was tokenism, it was about managing perceptions.”[1]

Bronnen
Hoofdbron: Frynas, G. (2005). The false developmental promise of Corporate Social Responsibility: evidence from multinational oil companies. International Affairs , 81 (3), 581-598.
Rwabizambuga, A. (2007). Negotiating Corporate Social Resonsibility Policies and Practices in Developing Countries: An Examination of the Experiences from the Nigerian Oil Sector. Business and Society Review , 112 (3), 407-430.
Afbeeldingen: Shell Nigeria. (2007). Annual Report 2006: People and the Environment.


[1] Een olie-industrie insider in Frynas, 2005, 586.

donderdag 20 december 2007

Le Delta du Niger face à la démocratie virtuelle du Nigeria - Ukoha Ukiwo



Referentie : U. UKIWO (2007, juni). Le Delta du Niger face à la démocratie virtuelle du Nigeria. Politique Africaine 106. Le Nigeria sous Obasanjo. Voilences et démocratie. pp. 128-147.

Dit artikel probeert uit te zoeken waarom de burgerlijke regering in Nigeria, aan de macht sinds 1999, er niet in slaagt de crisis in de Nigerdelta op te lossen. Als gevolg van deze crisis wordt de regio nog steeds gekenmerkt door de paradox van extreme ellende enerzijds en enorme rijkdom anderzijds. De verklaring hiervoor wordt gezocht bij de twee strategieën die door politieke actoren gebruikt worden bij hun streven naar hegemonie: de strategieën van het defensief radicalisme en die van het cliëntelisme.

Het defensief radicalisme

Defensief radicalisme betekent dat de elites doen alsof ze programma’s en projecten ondersteunen om de armoede tegen te gaan. Maar dit populistisch discours wordt in de eerste plaats gebruikt als middel om aan de macht te blijven. Dit fenomeen staat in verband met het rentenierskarakter van Nigeria: de staat zelf speelt een belangrijke rol in de toegang tot economische opportuniteiten, met als gevolg dat iedereen aan de macht probeert te geraken om zo toegang te krijgen tot de olierente.

In de Niger Delta betekent dit concreet dat regionale en lokale elites de oliemaatschappijen, de federale regering en de elites ervan beschuldigen de oorzaak te zijn van de verpaupering van de regio, terwijl deze laatste de schuld precies leggen bij communautaire conflicten, problemen bij de lokale jeugd en de corruptie van traditionele chefs, het politiecorps en de bureaucraten van de regio. Beide groeperingen stellen dan ook verschillende oplossingen voor. De regionale en lokale elites zijn van mening dat de regio meer controle moet hebben over de eigen grondstoffen, terwijl de oliemaatschappijen, de regering en de elites aan de macht de nadruk leggen op het belang van good governance en transparantie in het beheer van de grondstoffen. Beide strategieën zouden tot succes kunnen leiden, ware het niet dat ze slechts gebruikt worden als dekmantel voor een hegemoniaal streven in plaats van te getuigen van een reële wil tot duurzame ontwikkeling in de regio.

Het cliëntelisme

Het cliëntelisme is een sociopolitiek systeem gekenmerkt door netwerken van patroons en cliënten. De patroons zijn meestal van hogere status en gebruiken hun positie, invloed en inkomsten om bescherming en privileges te bieden aan de cliënten, die in ruil daarvoor steun en respect moeten bieden én hun stem bij de verkiezingen.

In een politiek systeem gebaseerd op het cliëntelisme hebben beslissingen van de regering weinig invloed, tenzij ze de hegemoniale belangen van de patroons en hun cliënten dienen. Publieke goederen worden door de patroons aan de burgers onttrokken om de schulden af te kunnen betalen die ze zijn aangegaan in hun streven naar hegemonie. Ook dit staat in verband met de renteniersstaat: de staat heeft geen belastingsinkomsten nodig en kan het zich permitteren de rechten van de burgers te negeren.

Het gevolg van cliëntelisme en patronage is dat inkomsten, bedoeld voor ontwikkeling, gebruikt en verdeeld worden om belangengroepen kalm te houden. In deze context gooit de retoriek van de groepen die schreeuwen om meer controle over de grondstoffen of om good governance olie op het vuur, met als resultaat een radicalisering en mobilisatie (de jongerenmilities schieten er als paddenstoelen uit de grond) bij de bevolking van de Niger Delta.

Nefast voor de ontwikkeling van de Niger Delta

Dat beide strategieën, hoewel contradictoir, gecombineerd worden, blijkt uit het feit dat de gouverneurs van de Niger Delta de leiding hebben genomen in de strijd om de controle over de grondstoffen, maar zich tegelijkertijd ten koste van de bevolking hebben verrijkt door middel van corruptie. Beide fenomenen zorgen ervoor dat duurzame ontwikkeling in de Niger Delta systematisch wordt ondermijnd door de politieke belangen van de belangrijkste politieke actoren. Velen hoopten dat het ontstaan van de virtuele democratie in 1999 zou bijdragen tot het oplossen van de crisis in de Niger Delta, maar het tegenovergestelde blijkt waar. Precies de opening van het politieke debat en de toegang van lokale politici tot regionale leidinggevende posities zorgt ervoor dat het voor de president moeilijker is geworden de agitatie in de Niger Delta te controleren.

Nigeria als renteniersstaat

In het artikel wordt regelmatig verwezen naar de context van de renteniersstaat. Nigeria is een renteniersstaat in die zin dat het een mono-economie heeft waarin olierente een dominante rol speelt. De staat controleert die olie-inkomsten. Macht betekent toegang tot rijkdom, met als gevolg dat mensen zich in het systeem willen inkopen om ook een graantje te kunnen meepikken. Wat de machthebbers in een renteniersstaat moeten doen om hun positie te behouden, is de bevolking aan zich binden door een herverdeling van de rijkdom. Dit heeft gevolgen voor de staatsstructuren. De patrimoniale niet-nationale staat zou het best geschikt zijn als herverdelingsstaat. De renteniersstaat staat volgens de theorie lijnrecht tegenover democratische instellingen. Iedereen zoekt immers zijn persoonlijk voordeel en dat is te vinden in een samenwerking met de staat, niet in een deelname aan politiek democratisch debat. Dat creëert een vruchtbare bodem voor cliëntelisme.[1]

Vooral binnen de context van de renteniersstaat voedt het cliëntelisme de corruptie en verhindert het good governance. Ukiwo zegt expliciet dat de opening van de politieke ruimte de situatie in de Niger Delta verergerd heeft. Het defensief radicalisme is duidelijk een strategie die het democratisch discours (dat draait rond controle over grondstoffen) misbruikt voor hegemoniale doeleinden.

Heeft de verslechtering van de situatie in de Niger Delta te maken met de tegengestelde belangen van de democratie en de renteniersstaat? Zou het met andere woorden voor de rust in Nigeria beter zijn als er weer een autoritair patrimoniaal systeem geïnstalleerd werd? Olie-inkomsten geven nu eenmaal aanzet tot corruptie, cliëntelisme, autoritaire regimes en repressie (cfr. de politieke gevolgen van de resource curse) en deze zaken gaan niet samen met democratische instellingen.

Een dergelijke redenering zou betekenen dat in landen die hun inkomsten vooral uit de exploitatie van olie halen, de democratie bijna automatisch gedoemd is te mislukken. Wat dit dan zou betekenen voor de toekomst van Irak, laten we aan de verbeelding van de lezer over.

[1] Beblawi, H., The Rentier State in the Arab World, in: The Arab State, Londen, 1990, p. 85-98; Luciani, G., Allocation vs. Production States: A Theoretical Framework, in: The Arab State, Londen, 1990, p. 65-84.

Comment op een wetenschappelijk artikel: “The Economy of Conflict in the Oil Rich Niger Delta Region of Nigeria” (Augstine IKELEGBE)

Augustine Ikelegbe beschrijft het conflict in de Niger Delta, en onderzocht hij de rol die economie speelt in dit conflict. Informele en illegale economievormen, evenals de formele economie bieden de kans aan verschillende partijen om winst te maken. Dit vormt een belangrijk argument voor het aanhouden van geweld. Dit artikel zet de verschillende actoren in de Nigeriaanse situatie op een rijtje en legt hun verbanden met andere spelers bloot.

De economie van conflict in grondstofrijke gebieden: theorie en bedenkingen bij analyse
Het inzicht in de economie van geweld in gebieden boordevol bodemrijkdommen kan een bruikbaar perspectief bieden bij de analyse van conflict en verzet, het gebruik van geweld, gewelddadige actoren en de reacties van instituties. Ikelegbe vertrekt vanuit de theoretische aanname dat er een verband bestaat tussen het voorkomen van ‘primary commodity exports’ en dan specifiek minerale rijkdommen in een land en conflicten of burgeroorlogen. Hij concretiseert dit verband in de vorm van zeven mogelijke banden tussen economie en conflict.

Ikelegbe haalt ook verschillende mogelijke verklaringen aan voor deze ‘economics of war’. Zo kunnen de motieven van bede partijen economisch zijn, of kan de oorlogssituatie voor sommigen een gunstig economisch handelsklimaat betekenen. Het conflict kan ook gaan om de ruimte om de aanwezige grondstoffen te ontginnen, en de aanwezige grondstoffen kunnen ook een belangrijke motivatie zijn voor conflicten tussen buurlanden.

Verder merkt Ikelegbe ook kritisch op dat het niet de aanwezigheid van grondstoffen an sich is dat zorgt voor conflict, maar eerder de hoe hier door verschillende groepen om gestreden/ mee omgegaan wordt. Bovendien kan de motivatie voor een oorlog niet steeds eenvoudigweg teruggebracht worden op hebzucht, maar speelt vaak een hele complexiteit aan factoren een rol. Deze complexiteit kan men aan de hand van theorie rond de ‘economics of conflict’ analyseren.

De economie van het conflict in Nigeria: olie, gas en gewapend verzet
Olie en Gas zijn de belangrijkste exportproducten van Nigeria, die op de zevende plaats staat op de lijst van ’s werelds grootste olieproducenten. De Niger Delta is een olierijk gebied, dat door jarenlange olie-exploratie en ecologische schade voornamelijk bevolkt wordt door een verarmde, gemarginaliseerde etnische groepen. Deze groepen organiseren zich steeds meer in verzetsgroepen, die steeds vaker hun toevlucht zoeken tot geweld om zo hun rechten af te dwingen en zaakjes te doen.

De minderheidsgroepen hebben reeds sinds de jaren vijftig sporen van verzet getoond, omwille van uitsluiting en later het feit dat de centrale overheid (gevormd door de drie grootste etnische groepen in Nigeria) de opbrengsten van de olie-export niet verdeelden onder de lokale bevolking maar central beheerden. Bovendien werd er niet geïnvesteerd in de ontwikkeling van de regio. Bovendien eigende de staat zich land toe in de regio, waardoor velen zich beroofd voelden. De etnische ongelijkheid leidde in de periode ’67-’70 tot een burgeroorlog in Nigeria. Na deze oorlog verbeterde de situatie in de olierijke gebieden van Nigeria er nauwelijks op. In de jaren ‘90 was de hele regio gemobiliseerd door een sterke civiele maatschappij, die zich organiseerde op basis van identiteit en etniciteit. Initieel ging de strijd om zelfbepaling, gelijkwaardigheid en gerechtigheid, waar de verschillende minderheidsgroepen zich, ongeacht etnische afkomst, samen voor inzetten. De contacten met de multinationale bedrijven verliepen via de groepsoversten, en sabotage van de olie-exploratie gebeurde in de vorm van demonstraties, het blokkeren van olie-installaties, …In het geval van de Ogoni hield hun verzetsleider Ken Saro-Wiwa zich voornamelijk bezig met sensibiliseren van de eigen bevolking en van de internationale gemeenschap. De dood van de charismatische leider van het ‘Mouvement for the Survival of the Ogoni People’ zorgde voor verdeeldheid in het kamp, en verminderde internationale steun.

In een tweede fase werd voornamelijk geweld als instrument van verzet ingezet. Dit was een reactie op het militaire antwoord van de overheid op het gevoerde verzet. Bovendien warende verzetsleiders niet langer de elite van de minderheidsgroepen, maar jeugdige strijders die zich groepeerden in milities. Sinds 1997 ontwikkelt zich in Nigeria een economie die teert op de conflictsituatie in het land. Zo creëren de milities eveneens kansen om te verdienen aan de oorlog, onder andere door omkopen en het stelen van ruwe olie of petroleumproducten. Geld valt er te verdienen van de multinationale bedrijven, die soms hun schuld voor schade aan het milieu afkopen door de bevolking in de regio een som geld te geven. Voorheen regelden de bedrijven deze deals met personen uit de bovenlaag van de traditioneel gestructureerde maatschappij. Sinds jonge militanten de plak zwaaien in de communities, nemen zij niet enkel het leiderschap van de gemeenschappen over, maar eveneens de banden met de multinationale bedrijven. Deze jonge milities gebruikten geweld en wapens om de bedrijven onder druk te zetten. Hun eisen zijn vaak werk, sociale faciliteiten, geld, … Ook jegens andere etnische groeperingen of binnen de eigen gemeenschap laait het geweld soms op: dit zijn niet langer partners in het bereiken van een staatsorde waarin de minderheidsgroepen als gelijkwaardig beschouwd en behandeld zouden worden, maar concurrenten in de strijd om winst, om leiderschap, om een plaats op de markt van illegale olie- en petroleumproducten. Zo heeft de strijd om de opbrengst van de grondstoffen de verzetsbeweging een heel andere richting uitgestuurd. De economie van conflict rond olie brengt ook een wapenhandel in beweging, het wordt een manier om de eigen beweging te financieren. Dit gewin zou een motivatie voor het voortzetten van het conflict zijn.

Het stelen van olie en petroleumproducten wordt gezien als een bedreiging van de nationale markt, en als reactie verhoogt de centrale overheid de aanwezigheid van het regeringsleger in het gebied. Zij pakken voornamelijk jonge milities aan, maar slagen er niet in om het illegaal verhandelen van ruwe olie aan banden te leggen: de betrokkenheid van ‘insiders’, elites en buitenlandse medewerkers zou hier een invloed op hebben. Bovendien heerst onder de militairen evenzeer een probleem van corruptie. Zij brengen meer onveiligheid dan veiligheid in de regio. Nigerie is een federale staat, maar de centrale overheid trekt alle beslissingen en winsten van de olie-exploratie naar zich toe. Bovendien lijken ze louter met de bevolking te communiceren door het gebruiken van geweld. Ojakorotu pleit voor een “delegitimation of force in favour of legitimation of dialogue and concensus-building in order tot promote e true federalism that would allow the minorities to benefit from the system” (Ojakorotu, 2006, p. 13)

De multinationale bedrijven die het overgrote deel van de Nigeriaanse olie industrie domineren, lijken, zo stelt Ikelegbe, zich weinig aan te trekken van het milieu of de armoede van de lokale bevolking. Ze hebben een contract met de centrale regering. Het ‘omkopen’ van delen van de bevolking als ecologische compensatie en maakte de weg vrij voor corruptie en conflicten onder de bevolking. Een verdeel-en-heers-tactiek, zo zou men het kunnen noemen.

De internationale gemeenschap lijkt zich steeds meer te interesseren in de Nigeriaanse conflictsituatie, en dit omwille van verschillende motivaties. Sommige landen willen voornamelijk hun landgenoten in veiligheid stellen, anderen werken direct of indirect bij aan de ‘veiligheid’ in het land, door het sturen van troepen (zo werd er een voorstel gedaan tot het sturen van Amerikaanse marinesoldaten om olie-installaties te beveiligen).

Kritische bedenkingen:
De economie lijkt de gehele conflictsituatie in zijn greep te hebben. Het zorgt mede voor het aanhouden van het conflict, aangezien belangrijke spelers verdienen aan de oorlogssituatie.
Het management van de staat is zwak, aangezien de bevolking geen vertrouwen heeft inde de staat; de centrale overheid wordt geleid door een etnische groep die enkel maar geïnteresseerd is in het ‘stelen’ van hun land en hun olie. Bovendien wordt er op alle acties van verzet met overdreven militair geweld geantwoord. Het starten van een dialoog over de directe noden van de bevolking lijkt mij een goed begin, evenals een transparantere werking van de staat, om zo te komen tot een ware federale staat, waarbij de rechten en plichten van de verschillende regio’s duidelijk voorgeschreven en beredeneerd zijn door alle partijen. Deze demilitarisatie van de politiek wordt ook in de basistekst van de International Crisisgroup als mogelijke uitweg aangehaald. (Zo ook in o.a. dit videofragment http://nl.youtube.com/watch?v=zup6FkPm_s0).

Alle spelers op het terrein lijken voornamelijk in een economische relatie tot elkaar te staan, het geweld wordt een drukkingsmiddel om te krijgen wat de bevolking nodig heeft: werk, infrastructuur, geld,…Het feit dat de militieleiders zich in deze conflictsituatie mede lijken te laten leiden door winstbejag, zorgt voor een verderzetting van de conflictsituatie. Is het mogelijk dit uit te klaren? Kunnen politieke en economische motivaties nog wel gescheiden worden, of zitten deze verstrengeld? Hoe kan men dan zorgen voor een einde aan het conflict?

Deze comment gaf ik op basis van volgende teksten:

Ikelegbe, A. (2005). The Economy ofConflict in the Oil Rich Niger Delta Region of Nigeria. Nordic Journal of African Studies 14, (2). 208 - 234.
Ojakorotu, V. (2006). The dynamics of oil and socia movements in the Niger Delta of Nigeria. PORTAL. Journal of Multidisciplinary International Studies, 3 (1).

dinsdag 18 december 2007

Bush lonkt opnieuw naar het zwarte continent...


INLEIDING

Voor deze commentaar kies ik ervoor om drie artikels samen te nemen en te bespreken. De artikels “Nigeria zou wel eens het volgende Irak kunnen zijn” (Busselen 2007b), “Bush lonk opnieuw naar zwarte continent” (Busselen 2007a) en “VS verdubbelen budget voor terreur in Afrika” (Lasker 2006), leiden tot eenzelfde conclusie: de militaire inmenging van de VS in Afrika is groter dan ooit. Derek Kauggman van het Amerikaanse leger noemt het Sahara gebied wegens zijn armoede, wetteloosheid en grote moslimbevolking, een vruchtbaar gebied voor de rekrutering van terrorisme (Lasker 2006). Luitenant-kolonel Paul P. Cale geeft een andere reden en omschrijft het als volgt: “De beste manier om de wereld te tonen dat de VS echt in zit met Afrika is door een African Command te installeren als enige bevelvoerende structuur voor heel het land.” (Busselen 2007a). Amerika wil een continentaal stabiliseringmechanisme in Afrika in het leven roepen om de grote problemen aan te pakken zodat Afrika een vreedzame toekomst tegemoet gaat. Antiterreur en het inperken van hiermee gelinkte bedreiging van de (inter)nationale veiligheid, maar ook het stimuleren van ontwikkeling zijn de meest aangehaalde redenen om de Amerikaanse militarisering van het Afrikaanse continent, waaronder ook de Niger Delta, te verantwoorden. In deze commentaar wil ik dan ook op zoek gaan naar de politiek achter deze aspecten van globale militarisering: ‘Zijn de voornoemde redenen de werkelijke drijfveer voor een militarisering?’, ‘Wat zijn de redenen dan wel en wie of wat zijn de belangrijkste actoren hierin?’, ‘Wat zijn de gevolgen hiervan voor de Niger Delta en kan er een vergelijking gemaakt worden met de huidige toestand in (Zuid-)Irak?’.

DE POLITIEK ACHTER HET DISCOURS

Al sedert 2003 verzorgt het Amerikaanse leger uitgebreide trainingsprogramma’s samen met het Nigeriaanse leger (Busselen 2007b). Dikwijls gebeurt dit in een samenwerkingsakkoord met buitenlandse oliefirma’s in Nigeria. De bedoeling hiervan is de productie van olie, die bedreigd wordt door de vele aanslagen van onder andere MEND, veilig te stellen. Lasker (2006) vermeld op zijn beurt dat het Trans-Sahara Counter-Terrorism Initiative (TSCTI) van de VS in 2006 een budget kreeg van 31 miljoen dollar, in 2006 wordt dit opgetrokken tot maar liefst 100 miljoen dollar. Lasker maakt eveneens melding van het feit dat de VS in Tsjaad, Nigeria en Mauritanië heel wat meer militaire oefeningen houdt dan vroeger. De oefeningen zijn officieel bedoeld om opgewassen te zijn tegen de opkomende terroristische dreiging van islamitische groeperingen in de streek. Diezelfde islamitische groeperingen zijn er echter al 60 jaar en nog nooit is er melding gemaakt van een link met antiwesters geweld.
Als we de bovenstaande beschreven gebeurtenissen in beschouwing nemen en een korte terugblik werpen, zonder hierin dieper op in te gaan, op Amerikaanse militaire inmenging in het Midden Oosten, dan lijkt het logisch dat de VS onder het mom van terrorismebestrijding en het bevorderen van Afrikaanse continentale stabiliteit, niets anders wil dan de olievoorraden veilig te stellen zodat de productie van olie in de toekomst zeker niet belemmerd wordt. Deze laatste stelling lijkt mij veel aannemelijker dan de redenen die in het officiële discours van de Amerikaanse regering aangehaald worden. Hierbij komt dat de Amerikaanse militarisering van Afrika nog meer wordt beïnvloed door de ‘dreiging’ van China: “China heeft de strategische situatie in Afrika veranderd. Over heel het continent is het op zoek naar natuurlijke rijkdommen, het overtroeft de offertes van Westerse ondernemingen bij grote infrastructuurwerken, het levert voordelige leningen.” (Busselen 2007a). Volgens de Amerikaanse regering en oliemaatschappijen komt het erop neer dat als de VS de oliebelangen in Afrika niet veilig stelt, dat China dit zal doen. Omdat China één van de grootste concurrenten van de VS is, en nu reeds de derde grootste handelspartner van het Afrikaanse continent, wil de VS een verdere infiltratie van China op het Afrikaanse continent zoveel mogelijk beperken.

GEVOLGEN VOOR DE NIGER DELTA

Volgens Busselen (2007b) komt 85% van al de petroleuminkomsten in Nigeria terecht in de zakken van 1% van de bevolking. De groei van de olie-industrie begon na een burgeroorlog in de jaren zeventig. Toch heeft deze industrie geen welvaart gecreëerd, enkel nieuwe conflicten staken de kop op. Het verzet in de Niger-Delta tegen de oliemaatschappijen werd doorheen de jaren gewelddadiger, waardoor een overheidsingrijpen noodzakelijk was. De VS die koste wat kost zijn olievoorraden veilig wil stellen, steunt de Nigeriaanse overheid hierbij. Trainingen, materiaal en zelfs (een beperkt aantal) troepen worden gestuurd.
Lasker (2006) wijst erop dat ICG pleit voor een internationale waakzaamheid en een grotere westerse betrokkenheid in de regio. Hierbij waarschuwen ze eveneens dat een hardhandige aanpak (door het Amerikaanse leger) een heel negatieve invloed zou kunnen hebben op de regio en dat de Niger Delta op die manier in een spiraal van geweld kan terechtkomen. Journalist Michael Watts formuleert het als volgt: “Het vooruitzicht van de Amerikaanse militarisering van het Zuiden om de olievelden te beschermen en van het Noorden om de islamitische terreur te controleren, is een recept voor massaal politiek geweld. Nigeria zou wel eens het volgende Irak kunnen zijn.” (Busselen 2007b).

CONCLUSIE

Het is doorheen deze commentaar duidelijk geworden dat de intenties van Amerika om het Afrikaanse continent te militariseren andere bedoelingen hebben dan dat ze laten uitschijnen. Een schijnbare terreurdreiging en de zogenaamde goede wil om door middel van een eengemaakt en gecentraliseerd ‘ African Command’ de stabiliteit in de regio te bevorderen staan enkel en alleen in dienst van Amerikaanse (olie)belangen. Er kan besloten worden dat de geopolitiek van de VS niet enkel streeft naar enerzijds militaire controle over Afrika, maar dat er anderzijds ook heel wat economische en politieke motieven meespelen.

VERGELIJKING MET COMMENT: ‘seeing like an oil company’.

Bij deze commentaar wil ik nog opmerken dat, in mijn vorige commentaar op het artikel van Ferguson, ‘seeing like an oil company’, ik tot de conclusie kwam dat (Zuid)-Irak de volgende Niger Delta zou kunnen zijn. In deze commentaar spreek ik mezelf dus tegen doordat ik hier vernoem dat Nigeria wel eens het volgende Irak zou kunnen zijn. Beide scenario’s blijven volgens mij mogelijk.
Ik maak hier even een abstractie van heel wat verschillen door te poneren dat het verschil tussen Nigeria en Irak is, dat het Amerikaanse leger al in Irak aanwezig is en voorlopig nog steeds weigert uit Irak te vertrekken. Op deze manier blijft de orde gehandhaafd en is er sprake van een relatieve stabiliteit. Mocht het echter zo zijn dat de VS zich voortijdig terugtrekt uit Irak, wat zeer twijfelachtig is, dan bestaat de kans dat Zuid(Irak) dezelfde toer als de Niger Delta opgaat en (opnieuw) in een uiterst gewelddadig conflict terechtkomt. Omgekeerd geldt ook natuurlijk. Stel dat de Niger-Delta geen olie meer voortbrengt dan kan de VS directe militaire actie ondernemen om hun oliebelangen veilig te stellen. De kans bestaat dat ook deze oorlog gevoerd wordt onder het mom van de aanwezigheid van massavernietigingswapens...

BRONVERMELDINGEN

Busselen T. (2007a, 28 jan 2007)
Bush lonkt opnieuw naar zwarte continent.
http://www.stopusa.be/campaigns/texte.php?section=&langue=2BC&id=25276 (laatst geconsulteerd op 17 december 2007)

Busselen T. (2007b, 28 jan 2007)
Nigeria zou wel eens het volgende Irak kunnen zijn.
http://www.stopusa.be/campaigns/texte.php?section=&langue=2BC&id=25276 (laatst geconsulteerd op 17 december)

Lasker J. (2006, 16 februari)
VS verdubbelen budget voor terreurbestrijding in Afrika.
http://www.mo.be/index.php?id=61&tx_uwnews_pi2%5Bart_id%5D=15633 (laatst geconsulteerd op 17 decmeber)

woensdag 5 december 2007

Comment op videoclip: De Biafra oorlog ’67-’70) in Nigeria en de “sjiitische” rebellie (’91) in Irak.

Gelijke motieven, gelijke resultaten?

Nigeria

Link over Biafra Oorlog: http://www.youtube.com/watch?v=DKETi645NCw (met oa. Boutros Boutros Ghali.)

In 1914 werd Nigeria ‘opgericht’ nadat Britten een amalgaam van protectoraten van Nood en Zuid-Nigeria samenvoegde. In 1954 werd het land een federatie (nog altijd onder Brits gouverneurschap) van drie regio’s: Noorden, Oosten en Westen. Dit op basis van de culturele en politieke verschillen tussen de drie belangrijkste etnische groepen, respectievelijk, de Hausa-Fulani, Yoruba en Ibo. Nog voor de onafhankelijkheid werd een bepaalde graad van autonomie verleend aan deze gebieden. In 1960 werd Nigeria onafhankelijke staat, drie jaar later een republiek.



Kort na de onafhankelijkheid staken etnische en religieuze spanningen de kop op. Een hoogtepunt hierin was in 1967, toen de militaire gouverneur, Luitenant Kolonel Chukwuemeka Odumegwu-Ojukwu, van de Oostelijke Regio, plannen bekend maakte voor afscheiding en de onafhankelijkheid uitriep van de Republiek van Biafra.



Het resultaat was een burgeroorlog die 2,5 jaar duurde en ongeveer 1 miljoen doden veroorzaakte. De Biafra oorlog wordt vaak beschreven als een oorlog die te wijten was aan de Igbo’s (Ibo) zelfbeschikkingwil (nationalisme), terwijl dit gebied zelf ook bestond uit diverse etnische minderheden (en dus heterogeen was).

Net zoals bij de rebellie in Irak, werd ook hier buitenlandse (Britse) betrokkenheid vermoed bij de oorlog. Zo zouden zij militaire hulp verleend hebben aan de Nigeriaanse regeringstroepen, zo wordt beweerd in de video. Maar van echte Westerse interventie was geen sprake, de wereld was met andere (belangrijke zaken) bezig: de Praagse Lente in Tsjechoslovakije in Europa, de Zesdaagse oorlog in het Midden-Oosten…

Irak

Link over ‘sjiitische rebellie’: http://www.youtube.com/watch?v=0uZ6BO1laoc&watch_response , ‘Saddam Brutality Against Shia’.

In dit fragment wordt de repressie van Saddam Hoessein tegen de sjiitische rebellie na de (tweede) Golfoorlog belicht. Volgens de makers van de video, was deze rebellie ingefluisterd door president Bush himself, maar hierover bestaat twijfel (alsook CIA betrokkenheid wordt geïnsinueerd). De film speelt zich af in Kerbala, een toenmalig centrum van de opstand tegen het Hoessein-regime. De film gaat niet diep in op de redenen voor deze rebellie maar toont vooral (enkel) de vernietigende kracht van de repressie van Saddam.

We moeten opmerken dat er niet enkel in het zuiden oproer ontstond maar ook in noord Irak, nl. de Koerden, die een mate van autonomie wensten (dus idem als de Ibo’s).

In zijn artikel ‘The dangerous road south’ schrijft Murray over het waarom van deze ‘sjiitische’ opstand. Hij spreekt over de Marsh Arabs (sjiieten), die vrij autonoom leefden in de moerassen rond Basra. De Iran-Irak oorlog (Golfoorlog I) bracht hier echter verandering in. Doordat de oorlog aansleepte (’80-’88) en de dodentol opliep, had Saddam nood aan versterkingen: hij eiste de jonge mannen van de Moerasarabieren op. Zij verzetten zich echter, het verzet werd een guerrilla rebellie tegen regeringstroepen en de kleine rebellie werd een grootschalige opstand in de nasleep van de tweede Golfoorlog (‘91). De vergeldingsacties van het Ba’ath regime waren niet mals; met zware artillerie en helikopters werden de rebellen onderdrukt. Tussen 30,000 en 60,000 mensen werden vermoord, volgens de VS. Hun moerassen werden vernietigd.

Een reactie van het Westen bleef niet uit: een no-fly zone werd in zuid-Irak ingesteld (’96) om de sjiieten daar te beschermen. Of deze humanitaire overwegingen werkelijk de overhand hadden bij de beslissing ter instelling van deze zone, is twijfelachtig. Controle verkrijgen op de acties van Saddam zou evenzeer een motief kunnen geweest zijn (inval in 2003 indachtig).

Verschillend maar toch niet helemaal.

Een groot verschil tussen beide conflicten was de media aandacht. Terwijl de ene video claimt over de enige beelden te beschikken over de sjiitische rebellie in Irak, zou de Biafra oorlog grotere visibiliteit krijgen. Voor de eerste keer kreeg de Westerse bevolking foto’s, beelden van verhongerende kinderen in de kranten, tijdschriften en op televisie. Een reactie bleef niet uit: de oprichting van Artsen Zonder Grenzen was een direct gevolg.

In beide gevallen gaat het om een etnische entiteit dat tegen het regime rebelleerde om zijn eigen bevolking een betere toekomst te geven maar daar niet in slaagde. Repressie van het regime heeft tot vandaag consequenties. Want de heldendaden van toen, leveren ook inspiratie voor de huidige onrust. Zie oa. OMEJE, K., Enyimba Enyi: The Comeback of Igbo Nationalism in Nigeria; NASR, V., The Shia Revival. How conflict within Islam will Shape the future;….


The Economist Intelligence Unit, Nigeria, Country Profile, 2007.
OMEJE, K., Enyimba Enyi: The Comeback of Igbo Nationalism in Nigeria. In: Review of African Political Economy, 2005, 32:106, pp. 621-651.
Iraqs ‘devastated’ Marsh Arabs. BBC News Online, 3 maart 2003, http://news.bbc.co.uk/2/hi/middle_east/2807821.stm , website laatst geconsulteerd op 05/12/07.
MURRAY, D., The Dangerous Road South. In: Maclean’s, vol. 116, issue 11.
No-fly zone: the legal position. BBC News, The World, Middle East, 19 februari 2001, http://news.bbc.co.uk/2/hi/middle_east/1175950.stm , website laatst geconsulteerd op 05/12/07.
Artsen Zonder Grenzen, Historiek, Hoe het ooit begon, http://www.azg.be/index.php?id=37 , website laatst geconsulteerd op 3/12/07.