In een vorige post was reeds kort gewezen op de groeiende Chinese grondstoffenbelangen op het Afrikaanse continent. Gezien de grote impact die de Chinese grondstoffenpolitiek heeft of kan hebben is het gepast even stil te staan bij de zgn. New Scramble for Africa. Zowel de VS (zie post ‘Bush lonkt opnieuw naar het zwarte continent’) als China hebben de ogen gericht op Afrika als (fossiele) energieleverancier. Het continent heeft immers niet alleen de minst ontgonnen oliereserves ter wereld, het is ook de enige regio waar nu ook nog nieuwe bronnen worden aangeboord. De snelgroeiende Chinese economie kampt met een acuut energietekort en wordt steeds meer afhankelijk van import van fossiele brandstoffen. Als antwoord hierop werkt de Chinese overheid aan wat misschien best een koortsachtige zoektocht naar nieuw oliecontracten kan genoemd worden. In het kader hiervan maakte president Hu Jintao in april 2006 persoonlijk een rondreis in Afrika die dan ook bekend staat als de ‘Chinese oliesafari’, waarbij onder meer een 110.000 vaten per dag contract werd afgesloten met Nigeria, de grootste olieproducent van Afrika. De aanwezigheid van de Chinese nationale oliebedrijven is reeds aanzienlijk in Soedan, en groeit gestaag in de rest van olieproducerend en grondstoffenrijk Afrika. Kunnen we nu spreken over een Scramble for Africa’s Oil? Er zijn inderdaad tegenstrijdige belangen, en een toegenomen aanwezigheid van zowel de VS als China, de twee grootste energieverbruikers ter wereld, in Afrika. Beide partijen zetten alles in om hun (toekomstige) grondstoffenbelangen veilig te stellen. De Chinese handel met het Afrikaans continent (algemeen) groeide in de jaren 1990 alleen al met 700%, en in 2004 telde China voor $900 miljoen van de $15 miljard FDI in Afrika. China is nu de derde belangrijkste handelspartner geworden van Afrika.[1] Aan de kant van de VS werkt men aan een andere strategie om de greep op Afrika te versterken. (zie post ‘Bush lonkt opnieuw naar het zwarte continent’) Africom (African Military Command) zou volledig operationeel moeten zijn tegen midden 2008.[2]
De Chinese Strategie en haar consequenties voor het Afrikaanse continent
De Chinese strategie om grondstoffencontracten in de wacht te slepen is vrij eenvoudig en to the point, en wordt door China zelf het ‘win-win model’ genoemd: aid for oil. In ruil voor exploitatiecontracten biedt de Chinese overheid de Afrikaanse staten een totaalpakket van infrastructuurprojecten (gaande van wegennet over scholen en ziekenhuizen tot glasvezelnetwerken), competitieve leningen, investeringen, handelsakkoorden en zelfs wapenleveringen. Deze voordelen zijn bovendien extra competitief (t.o.v. leningen en ontwikkelingsprojecten van multilaterale organisaties zoals de Wereldbank) vanwege de Chinese garantie van non-interference in de nationale politiek van de betrokken landen. China houdt zaken en politiek volstrekt gescheiden en houdt muurvast aan het soevereiniteitsprincipe. Het is dan ook een vaste handelspartner van internationale Paria-regimes als die van Iran, Soedan en Zimbabwe.
Wat de casus Nigeria betreft heeft Hu Jintao op zijn ‘oliesafarie’ in 2006 een contract voor 100.000 vaten per dag in de wacht gesleept. De olie zal komen van twee boorinstallaties in de Nigerdelta en twee off-shore platformen. In ruil daarvoor investeert China voor 4 miljard US dollar in olie en andere infrastructuur. Dit jaar nog lanceerde China zelfs een communicatiesatelliet voor het Afrikaanse land.
Wat zijn nu de consequenties van de Chinese oliebelangen in Afrika? Het spreekt voor zich dat de Chinese strategie zeer overheidsgericht is. Wanneer we dit dan in verband brengen met de desastreuze olie-economieën die hieronder besproken zijn en de onconditionele financiële steun in ruil voor de exploitatiemogelijkheden kunnen we ons terecht vragen beginnen stellen naar het gebruik van die fondsen. Weinig daarvan bereikt de bevolking in de vorm van succesvolle ontwikkelingsprojecten. Bovendien worden langs deze weg regimes gesteund die grove mensenrechtenschendingen op hun naam hebben staan. Een extreem voorbeeld hiervan zijn de wapenleveringen aan de overheden van onder meer Soedan en Zimbabwe.
Aan de Chinese houding t.o.v. Soedan kleeft nog een belangrijke complicatie. Samen met Iran is het de belangrijkste olieleverancier aan China. Om haar oliebelangen veilig te stellen werkt China, naast de bovengenoemde wapenleveringen, in de VN Veiligheidsraad actief sancties tegen door de gesprekken te vertragen, de taal te verzachten, en zelfs openlijk te dreigen met een veto. Kortom, de Chinese initiatieven in Afrika zijn geenszins bezwaard met mensenrechtenbekommernissen.
Dit niet tegenstaande moet vermeld worden dat de Chinese investeringen in het continent sinds de jaren negentig een zekere economische groei hebben teweeg gebracht. Een andere positieve noot die kan gemaakt worden is het succes van sommige door China betaalde infrastructuurwerken.
De vraag die we ons daarbij moeten stellen is uiteraard of de economische voordelen van de Chinese all-in investeringen opwegen tegen de gevaren die uitgaan van de non-interference politiek en de onconditionele steun aan bovengenoemde regimes? De Chinese economie heeft een jaarlijks groeicijfer van 8%, en zou op die manier tegen 2030 (volgens de filmmakers) de energiebehoefte van de VS kunnen overschreden hebben. Stevenen we af op een echte confrontatie van grondstoffenbelangen, en wordt Afrika daarvan het toneel?
Bronnen
Film: J.-C. Klotz, China vs. U.S. The Battle for Oil (2007)
China and Nigeria agree oil deal. (26 april 2006). BBC News: http://news.bbc.co.uk/2/hi/business/4946708.stm
Pan, E. (18 januari 2006). Q&A: China, Africa, and Oil. The New York Times: http://www.nytimes.com/cfr/international/slot2_011806.html
Servant, J.-C. (25 mei 2005). China op jacht naar de Afrikaanse markt. Globalinfo: http://www.globalinfo.nl/content/view/609/41/
Thompson, C. (14 juni 2007). The Scramble for Africa's Oil. The New Statesman: http://www.newstatesman.com/200706180024
Afbeelding: Hu Jintao en Olusegun Obasanjo op de website van Radio France International: http://www.rfi.fr/actufr/articles/076/article_43353.asp
[1] Pan, 2006.
[2] Thompson, 2007.


