vrijdag 28 december 2007

Nieuwe President van Nigeria Umaru Yar'Adua: Brenger van 'Good Governance'?


Comment op videobestanden

- Nigeria’s questionalbe President sworn in, http://nl.youtube.com/watch?v=iTtSMzphNMA&feature=related
- Inside Story – Nigerian elections – 18 april 07 – Part 01/02, http://nl.youtube.com/watch?v=oXSFg0_vfDQ;http://nl.youtube.com/watch?v=SiMlPK8EmmA
- Inside Story – Nigeria’s new president – 29 may 07 – Part 01/02, http://nl.youtube.com/watch?v=TdtocTKKbqI; http://nl.youtube.com/watch?v=Pk6qD4LIOVI

Kan de nieuwe Nigeriaanse president verandering brengen in de situatie in het land en in de Niger Delta?

Tijdens de Nigeriaanse verkiezingen op 21 april 2007 werd een nieuwe President verkozen, Umaru Musa Yar'Adua. Deze man stond acht jaar lang aan het hoofd van Katsina, een deelstaat in het Noorden van Nigeria. Hij is lid van de dominante partij, de People’s Democratic Party (PDP). Yar’Adua dient gedurende zijn mandaat antwoord te bieden aan verschillende uitdagingen.

Allereerst dient hij te werken aan de legitimiteit en geloofwaardigheid van zijn presidentschap: Yar’Adua werd immers naar voor geschoven door de vorige President Obasanjo, en bovendien gingen de verkiezingen gepaard met geweld en geenszins met transparantie, zo ook buitenlandse observatoren van de verkiezingen. De oppositiepartijen onder leiding van Muhammadu Buhari van de All Nigeria People's Party (ANPP) en Atiku Abubakar van het Action Congress (AC), staan sceptisch tegenover de verkiezingsuitslag, zeker aangezien Obasanjo nog steeds invloed zal hebben als partijvoorzitter van de PDP. Er wordt beweerd dat deze verkiezingsuitslag onjuist is, en dit het falen van de democratie betekent. Revolutie is het antwoord waar sommige oppositieleden voor pleiten.

Yar’Adua wordt omringd door allerlei staatsmannen die bekend staan omwille van hun corruptie. Zij hebben mede gezorgd voor de verkiezing van deze presidentskandidaat. Zal Yar’Adua de moed hebben om in zijn strijd tegen corruptie ook te voeren tegenover deze ‘broodheren’?
In deze uitzending wordt gezegd dat de onder Obasanjo opgerichte organisaties (EFCC, IPCP) ter bestrijding van corruptie slechts schijn zijn, in niet naar behoren en grondig functioneren.

Voorts zet Yar’Adua de crisis in de Niger Delta hoog op zijn presidentiële agenda: hij pleit voor het op gang brengen van een dialoog met de milities in deze landstreek en voor een staakt het vuren. Dit lijkt op het eerste zicht een erg verschillende aanpak van deze van zijn voorganger, die de crisis vooral manu militari aanpakte, om zo het geweld in te perken, maar geenszins het onderdrukte. De groeperingen in de Niger Delta verklaarden volgens de uitzendingen van Al Jazeera dat ze een dialoog met de president en andere groeperingen overwogen.Vincent Magombe van Africa Inform International stelt in de uitzeinding van ‘Inside Story’ voor dat Yar’Adua bijvoorbeeld de leiders van de milities die gevangen zijn genomen, vrijgelaten kunnen worden. Hij erkent op deze manier dat deze groepen ijveren voor een ‘fair share’ van de olieopbrengsten, die nu steevast verdwijnen in de zakken van de politici.

“Good governance” was zeker geen term die het regime van Obasanjo kon beschrijven. Kan Yar’Adua dit waarmaken? De andere politici die zijn familie voortbracht, waren op zichzelf staande mannen. Bovendien stamt hij af van een politieke traditie van het Noorden van het land, die verschilt van de houding van politici in het christelijk zuiden. Als ook Umaru Yar’Adua dit kan vertalen in zijn beleid, en zich kan weten los te wrikken uit de greep van obasanjo, is er mogelijks een kan op slagen, hoewel de strubbelingen bij de verkiezingen reeds een legitimiteitsprobleem impliceren voor de President zelf. Good Governance in Nigeria zou dan betekenen dat de inkomsten van de olie-industrie op een systematische en transparante wijze geïnvesteerd zouden worden in ontwikkeling van het land en haar inwoners, onderwijs, gezondheidszorg, …

“Nigerian corruption: We are all guilty.” Van M. Siollun (17 December 2007)

Comment op een tijdschrift artikel, op de website van een Nigeriaanse krant, The Port-Harcourt Telegraph (geraadpleegd op 27 december 2007).

("Max Siollun is a historian and commentator on Nigerian political and governmental issues, with a focus on those pertaining to Nigerian history and the Nigerian military’s participation in politics. He has written a number of articles regarding Nigeria ’s military coups, and is the author of books on the origins of military engagement in Nigerian politics" (http://www.nigeriavillagesquare.com/, 27 december 2007).

Siollun beschrijft hoe hij de corruptie ervaart in Nigeria, en lijkt hier voornamelijk vrij pessimistisch tegenover te staan. De in Amerika gevestigde historicus opent zijn artikel met volgend startpunt: “Nigeria is internationally famous for three things: oil, its Super Eagles football team, and its spectacular government corruption”( http://www.thephctelegraph.com/, 2007). Siollun beaamt dit, maar trekt het begrip corruptie verder open. Hij stelt dat corruptie deel is gaan uitmaken van de Nigeriaanse cultuur en dus verder rijkt dan louter de rangen van overheidsmedewerkers: Hij merkt droog op dat de Nigerianen gepercipieerd kunnen worden als een soort “commodity”: ze verkopen hun ziel aan de hoogste bieder.

De corruptie wordt door de gemeenschappen zelf bevorderd: bevriende personen die werken voor de overheid worden dadelijk gevraagd om gunsten en voordelen. Indien men zich niet verrijkt gedurende zijn mandaat bij de overheid wordt men afgeschilderd als “foolish”. De Nigerianen zijn dus in zekere zin hypocriet, en zijn zeker niet bereid afstand te doen van de voordelen die ze krijgen door corruptie en patronage ten voordelen van een hardere aanpak van corruptie in het algemeen. De instituties die zich tegenwoordig engageren met anti-corruptieacties (the Economic and Financial Crimes Commission en the Independent Corrupt Practices and Other Related Offences Commission) worden dan ook ongeloofwaardig en selectief geacht. (Zo worden er vragen gesteld bij deze instituties in een artikel in de Daily Trust, 22 December 2007: Nigeria: EFCC/ICPC/CCB - One Merger, Many Questions, http://allafrica.com/stories/200712220006.html). Echter, zo stelt Siollun, indien deze instituties elke corrupte persoon in Nigeria zou arresteren, zouden de gevangenissen overvol zitten met onder andere de overgrote meerderheid van de aanwezige werkkrachten van het land.

Siollun ziet twee mogelijk oplossingen:
Allereerst ziet hij enigszins heil in een amendement van Sectie 308 van de Nigeriaanse Wettekst, aangezien deze de immuniteit vastlegt van de staatsambtenaren. Deze ambtenaren weten zich zo boven de wet geplaatst, in een staat van straffeloosheid. De politieke voorwaarden om dit amendement door te voeren zijn zo goed als onhaalbaar.
Een tweede weg vooruit ziet Siollun in een morele revolutie, waarbij hij de verantwoordelijkheid voornamelijk legt bij het onderwijs van de volgende generatie, om zo weerwerk te bieden aan het morele verval dat hij herkent in de Nigeriaanse samenleving.

Kritische bedenkingen:
Corruptie is in een arme samenleving zoals deze in Nigeria (waarin de olieopbrengsten op zeer ongelijk wijze verdeeld worden onder de bevolking) een bijna logische manier om te overleven, status te verkrijgen en macht. Indien de familie een belangrijke sociale entiteit is, is het inderdaad logisch dat je hen help als dit kan, als je toegang hebt tot geld en midelen van de overheid. Waar Siollun op wijst is dat dit in Nigeria niet enkel gebeurt op de hoogste niveau’s van de samenleving, maar evenzeer op straat, aan bezinestations,… De gehele bevolking lijkt hiervan doordrongen. De oplossing die Siollun hiervoor oppert lijkt mij niet echt ideaal: te veel verantwoordelijkheid wordt gelegd bij het onderwijs, dat steeds de waarden van de maatschappij mee reflecteert in haar praktijken en geen redmiddel van de corruptie kan vormen in een gecorrumpeerde samenleving. Voorts legt Siollun de mogelijkheid tot ingrijpen bij de ‘de volgende generatie’, ‘de ongeborenen’. Op deze manier schuift de tijd van actie steeds op en blijft deze steeds in het verschiet, zonder dat er iets verandert aan de situatie.

Siollun meent dat het probleem zich onder andere stelt in de psychè van de Nigeriaan. Het beïnvloeden en zelfs ‘indoctrineren’(dixit Siollun) zal bijgevolg een lange tijd moeten duren, en hierop zou een terechte kritiek gegeven kunnen worden: vervalt men zo niet in een humanitair imperialisme, waarbij de Westerling (Siollun woont in Amerika en dit beïnvloedt ongetwijfeld zijn visie) de waarheid en de tips ’n tricks voor een betere samenleving uit z’n mouw kan schudden?

De auteur verbindt aan het wijdverbreid fenomeen ‘corruptie’ , waaronder hij ook het stelen en illegaal aftappen van olie aan pijpleidingen rekent, het gebrek aan een identiteit gebaseerd op ‘nationaliteit’. Immers, gewone burgers stelen op die manier van zichzelf, van hun eigen overheid, al wordt dit geenszins op deze manier gepercipieerd (en evenmin weerspiegeld in wat er in praktijk met de opbrengsten van de olie-industrie gebeurt). Zou dit dan geen deel van een oplossing kunnen betekenen: het aanwakkeren van nationalistische gevoelens en belangen? En is dit mogelijk in indien corruptie zo welig tiert?

Zoals reeds gesteld in het basisartikel van deze thematische blog, dient de Nigeriaanse overheid werk te maken van transparancy en het bestrijden van corruptie in het land. Met dit artikel trachtte ik dit aspect, dat volgens Siollun op bijna een 'basische' manier deel uitmaakt van het leven in Nigeria, te verduidelijken. Zo wordt ok duidelijk dat deze taak ('corruptiebetrijding'), bij voorkeur weggelegd voor de Nigerianen zelf zeker geen evidente aanpak of uitkomst heeft.

Het artikel van Max Siollun is terug te te vinden op http://www.thephctelegraph.com/stories/December,%202007/1712feat_02.html, geraadpleegd op 27december 2007.

maandag 24 december 2007

Corporate Social Responsibility. Een toekomst voor Nigeria?



Derde wereld-economieën worden steeds meer gedomineerd door multinationale organisaties, en zullen dit in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid nog veel meer zijn. Daarom is het relevant even stil te staan bij een relatief recent begrip in het ontwikkelingsgebeuren in de Niger Delta: Corporate Social Responsibility (CSR). In de basistekst werd verschillende keren gewezen op het averechts effect van de ‘corporate-driven’ ontwikkelingsinitiatieven van SPDC (Shell Petroleum Development Company), die er niet in slagen een houdbare ontwikkeling (sustainable development) op de been te brengen, en zelfs specifieke conflicten in de hand werken of uitlokken.
Corporate Social Responsibility kunnen we begrijpen als door multinationale ondernemingen gefinancierde en uitgevoerde projecten inzake milieu, tewerkstelling en ontwikkeling in lokale gemeenschappen. De oliesector is, door de enorme ecologische, economische en sociale impact op de ‘gastgemeenschappen’ (zie vorige posts), reeds lang één van de belangrijkste spelers op deze ontwikkelingsmarkt. Het besproken artikel concentreert zich op deze laatste categorie van CSR. In ‘The false developmental promise of Corporate Social Responsibility’ analyseert Frynas de motieven en daaruit voortkomende specifieke problemen van dergelijke ontwikkelingsinitiatieven. Hij doet dit niet specifiek voor de Niger Delta, maar steunt grotendeels op zijn jarenlange onderzoek in diezelfde regio.

Motieven

De auteur argumenteert dat, naast externe druk van NGO’s en bevolking, CSR-strategieën worden ingezet met het oog op een competitief voordeel bij het verwerven van olieconcessies van de overheid, waarbij dan middelen langs (corrupte) overheidsambtenaren wordt gekanaliseerd. Daarnaast wordt CSR ingezet om een stabiele werkomgeving te garanderen. In de Nigeriaanse praktijk komt het dan uiteindelijk neer op een afkopen van de lokale gemeenschap. In het geval van SPDC wordt bijvoorbeeld bij de bouw van nieuwe pijpleidingen een ontwikkelingsbudget toegekend dat loopt tot de bouw is afgewerkt. Het spreekt voor zich dat dergelijke korte initiatieven om de rust te garanderen niet beantwoorden aan de noden van de getroffen gemeenschap, maar eerder afkoopprojecten zijn voor lokale elites. Andere projecten geven gevolg aan negatieve publiciteit, wat Frynas ‘managing external perceptions’ noemt, en zijn in wezen public relations initiatieven. Ook hier is geen sprake van enig engagement tot lange termijn ontwikkeling, en worden de projecten gekozen op basis van publiceerbaarheid. In extreme gevallen, waaronder ook door Shell in Nigeria in de jaren 1990 zijn zelfs projecten gepubliceerd die nooit zijn uitgevoerd. Tenslotte haalt de auteur interne olie-industrie motieven aan: CSR als een manier om de werknemers een positief beeld te geven van het bedrijf en de oliesector.
Al deze motieven voor CSR hebben in de eerste plaats specifieke zakelijke doelen voor ogen, en de projecten die hieruit voortkomen overstijgen dan ook zelden eenvoudige gebaren en giften. Er is geen sprake van specifieke lange termijn ontwikkelingsdoelstellingen. Projecten worden willekeurig opgezet, al even willekeurig stopgezet en werken ongelijkheid en corruptie in de hand. Ter illustratie haalt de auteur een gelekt intern rapport van Shell uit 2001 aan dat stelt dat minder dan een derde van de projecten in opdracht van Shell volledig succesvol waren. De laatste jaren is er evenwel een evolutie in CSR naar meer gesofisticeerde ontwikkelingsprojecten, het flagrante mislukken van voorgaande initiatieven in de regio heeft de reputatie van de oliesector immers geen goed gedaan.

Evolutie en problemen van CSR in Nigeria

De laatste jaren heeft het CSR discours en ook de praktijk een stap gezet naar sustainable development. Een voorbeeld hiervan is de Sustainable Community Development unit (SCD) van SPDC en verschillende vrouwgerichte micro krediet projecten in de Nigerdelta. Het potentieel van deze CSR projecten blijft evenwel zeer beperkt. De belemmeringen voor de werkbaarheid van CSR in Nigeria zijn talrijk. Naast de verregaande corruptie en het gewapend conflict zijn de belangrijkste de volgende: Het falen de lokale bevolking bij de projecten te betrekken, noch bij de ontwikkeling, noch bij de implementatie van de projecten slaagt men er in de lokale bevolking te consulteren of te mobiliseren. Hiermee verbonden is de zgn. ‘corporate attitude’ van de CSR werkers, die niet is aangepast aan de complexe sociale realiteit. Men slaagt er evenmin in de CSR initiatieven in te schakelen in een breder ontwikkelingsplan, waardoor de inspanningen, hoeveel er ook in geïnvesteerd is gereduceerd worden tot verspreide druppels op de hete plaat. In sommige gevallen heeft dit falen in Nigeria zelfs tot lokale conflicten en negatieve ontwikkelingsconsequenties geleid. Een voorbeeld hiervan is het concept van de gastgemeenschap, vlak bij het oliebedrijf die het meeste steun ontvangt, dat in verschillende situaties tot afgunst en gewelddadige conflicten heeft geleid.

Conclusies
Deze korte analyse van de motieven en concepten van CSR van de oliesector in Nigeria heeft een aantal belangrijke pijnpunten van deze ontwikkelingsinitiatieven blootgelegd. Hoewel de impact van de aanwezigheid van de olie-industrie op macroniveau enorm is (zie vorige posts) situeren alle CSR initiatieven zich op het laagste niveau, namelijk dat van de families en dorpgemeenschappen. Kortom: zelfs wanneer CSR initiatieven slagen in hun opzet, is de impact hiervan zeer beperkt. De belangrijkste en voor de toekomst meest onrustwekkende vaststelling is echter dat het falen van CSR in het algemeen terug te voeren is op de initiële motieven ervan. De business agenda die er aan de grondslag van ligt is in die zin de belangrijkste belemmering voor het slagen van CSR initiatieven.

Bieden deze stijgende ‘ontwikkeling’-budgetten dan helemaal geen toekomstperspectieven voor de door de ‘Dutch disease’ geteisterde bevolking? Het is duidelijk dat voor deze complexe economische en sociale problematiek geen eenvoudige oplossing bestaat. Specifiek voor de CSR-gelden lijkt de enige mogelijke oplossing evenwel het verbreken van de link tussen de business agenda en projectontwikkeling, en concreet het kanaliseren van deze budgetten langs multilaterale organisaties (macro) en NGO’s (micro). De vraag die we ons hierbij moeten stellen is of er hoe dan ook een toekomst bestaat voor CSR buiten de zakelijke en marketingmotieven van de filantropie. Zelfs wanneer NGO’s ingezet worden beslist de geldstroom nog steeds mee in de keuze van projecten. Zoals de afbeeldingen bij deze korte tekst laten zien speelt de publiceerbaarheid van projecten een cruciale rol.

“Amateurism in the way that things are done is beyond belief, for example, the way the projects are chosen, until I understood that this was tokenism, it was about managing perceptions.”[1]

Bronnen
Hoofdbron: Frynas, G. (2005). The false developmental promise of Corporate Social Responsibility: evidence from multinational oil companies. International Affairs , 81 (3), 581-598.
Rwabizambuga, A. (2007). Negotiating Corporate Social Resonsibility Policies and Practices in Developing Countries: An Examination of the Experiences from the Nigerian Oil Sector. Business and Society Review , 112 (3), 407-430.
Afbeeldingen: Shell Nigeria. (2007). Annual Report 2006: People and the Environment.


[1] Een olie-industrie insider in Frynas, 2005, 586.

donderdag 20 december 2007

Le Delta du Niger face à la démocratie virtuelle du Nigeria - Ukoha Ukiwo



Referentie : U. UKIWO (2007, juni). Le Delta du Niger face à la démocratie virtuelle du Nigeria. Politique Africaine 106. Le Nigeria sous Obasanjo. Voilences et démocratie. pp. 128-147.

Dit artikel probeert uit te zoeken waarom de burgerlijke regering in Nigeria, aan de macht sinds 1999, er niet in slaagt de crisis in de Nigerdelta op te lossen. Als gevolg van deze crisis wordt de regio nog steeds gekenmerkt door de paradox van extreme ellende enerzijds en enorme rijkdom anderzijds. De verklaring hiervoor wordt gezocht bij de twee strategieën die door politieke actoren gebruikt worden bij hun streven naar hegemonie: de strategieën van het defensief radicalisme en die van het cliëntelisme.

Het defensief radicalisme

Defensief radicalisme betekent dat de elites doen alsof ze programma’s en projecten ondersteunen om de armoede tegen te gaan. Maar dit populistisch discours wordt in de eerste plaats gebruikt als middel om aan de macht te blijven. Dit fenomeen staat in verband met het rentenierskarakter van Nigeria: de staat zelf speelt een belangrijke rol in de toegang tot economische opportuniteiten, met als gevolg dat iedereen aan de macht probeert te geraken om zo toegang te krijgen tot de olierente.

In de Niger Delta betekent dit concreet dat regionale en lokale elites de oliemaatschappijen, de federale regering en de elites ervan beschuldigen de oorzaak te zijn van de verpaupering van de regio, terwijl deze laatste de schuld precies leggen bij communautaire conflicten, problemen bij de lokale jeugd en de corruptie van traditionele chefs, het politiecorps en de bureaucraten van de regio. Beide groeperingen stellen dan ook verschillende oplossingen voor. De regionale en lokale elites zijn van mening dat de regio meer controle moet hebben over de eigen grondstoffen, terwijl de oliemaatschappijen, de regering en de elites aan de macht de nadruk leggen op het belang van good governance en transparantie in het beheer van de grondstoffen. Beide strategieën zouden tot succes kunnen leiden, ware het niet dat ze slechts gebruikt worden als dekmantel voor een hegemoniaal streven in plaats van te getuigen van een reële wil tot duurzame ontwikkeling in de regio.

Het cliëntelisme

Het cliëntelisme is een sociopolitiek systeem gekenmerkt door netwerken van patroons en cliënten. De patroons zijn meestal van hogere status en gebruiken hun positie, invloed en inkomsten om bescherming en privileges te bieden aan de cliënten, die in ruil daarvoor steun en respect moeten bieden én hun stem bij de verkiezingen.

In een politiek systeem gebaseerd op het cliëntelisme hebben beslissingen van de regering weinig invloed, tenzij ze de hegemoniale belangen van de patroons en hun cliënten dienen. Publieke goederen worden door de patroons aan de burgers onttrokken om de schulden af te kunnen betalen die ze zijn aangegaan in hun streven naar hegemonie. Ook dit staat in verband met de renteniersstaat: de staat heeft geen belastingsinkomsten nodig en kan het zich permitteren de rechten van de burgers te negeren.

Het gevolg van cliëntelisme en patronage is dat inkomsten, bedoeld voor ontwikkeling, gebruikt en verdeeld worden om belangengroepen kalm te houden. In deze context gooit de retoriek van de groepen die schreeuwen om meer controle over de grondstoffen of om good governance olie op het vuur, met als resultaat een radicalisering en mobilisatie (de jongerenmilities schieten er als paddenstoelen uit de grond) bij de bevolking van de Niger Delta.

Nefast voor de ontwikkeling van de Niger Delta

Dat beide strategieën, hoewel contradictoir, gecombineerd worden, blijkt uit het feit dat de gouverneurs van de Niger Delta de leiding hebben genomen in de strijd om de controle over de grondstoffen, maar zich tegelijkertijd ten koste van de bevolking hebben verrijkt door middel van corruptie. Beide fenomenen zorgen ervoor dat duurzame ontwikkeling in de Niger Delta systematisch wordt ondermijnd door de politieke belangen van de belangrijkste politieke actoren. Velen hoopten dat het ontstaan van de virtuele democratie in 1999 zou bijdragen tot het oplossen van de crisis in de Niger Delta, maar het tegenovergestelde blijkt waar. Precies de opening van het politieke debat en de toegang van lokale politici tot regionale leidinggevende posities zorgt ervoor dat het voor de president moeilijker is geworden de agitatie in de Niger Delta te controleren.

Nigeria als renteniersstaat

In het artikel wordt regelmatig verwezen naar de context van de renteniersstaat. Nigeria is een renteniersstaat in die zin dat het een mono-economie heeft waarin olierente een dominante rol speelt. De staat controleert die olie-inkomsten. Macht betekent toegang tot rijkdom, met als gevolg dat mensen zich in het systeem willen inkopen om ook een graantje te kunnen meepikken. Wat de machthebbers in een renteniersstaat moeten doen om hun positie te behouden, is de bevolking aan zich binden door een herverdeling van de rijkdom. Dit heeft gevolgen voor de staatsstructuren. De patrimoniale niet-nationale staat zou het best geschikt zijn als herverdelingsstaat. De renteniersstaat staat volgens de theorie lijnrecht tegenover democratische instellingen. Iedereen zoekt immers zijn persoonlijk voordeel en dat is te vinden in een samenwerking met de staat, niet in een deelname aan politiek democratisch debat. Dat creëert een vruchtbare bodem voor cliëntelisme.[1]

Vooral binnen de context van de renteniersstaat voedt het cliëntelisme de corruptie en verhindert het good governance. Ukiwo zegt expliciet dat de opening van de politieke ruimte de situatie in de Niger Delta verergerd heeft. Het defensief radicalisme is duidelijk een strategie die het democratisch discours (dat draait rond controle over grondstoffen) misbruikt voor hegemoniale doeleinden.

Heeft de verslechtering van de situatie in de Niger Delta te maken met de tegengestelde belangen van de democratie en de renteniersstaat? Zou het met andere woorden voor de rust in Nigeria beter zijn als er weer een autoritair patrimoniaal systeem geïnstalleerd werd? Olie-inkomsten geven nu eenmaal aanzet tot corruptie, cliëntelisme, autoritaire regimes en repressie (cfr. de politieke gevolgen van de resource curse) en deze zaken gaan niet samen met democratische instellingen.

Een dergelijke redenering zou betekenen dat in landen die hun inkomsten vooral uit de exploitatie van olie halen, de democratie bijna automatisch gedoemd is te mislukken. Wat dit dan zou betekenen voor de toekomst van Irak, laten we aan de verbeelding van de lezer over.

[1] Beblawi, H., The Rentier State in the Arab World, in: The Arab State, Londen, 1990, p. 85-98; Luciani, G., Allocation vs. Production States: A Theoretical Framework, in: The Arab State, Londen, 1990, p. 65-84.

Comment op een wetenschappelijk artikel: “The Economy of Conflict in the Oil Rich Niger Delta Region of Nigeria” (Augstine IKELEGBE)

Augustine Ikelegbe beschrijft het conflict in de Niger Delta, en onderzocht hij de rol die economie speelt in dit conflict. Informele en illegale economievormen, evenals de formele economie bieden de kans aan verschillende partijen om winst te maken. Dit vormt een belangrijk argument voor het aanhouden van geweld. Dit artikel zet de verschillende actoren in de Nigeriaanse situatie op een rijtje en legt hun verbanden met andere spelers bloot.

De economie van conflict in grondstofrijke gebieden: theorie en bedenkingen bij analyse
Het inzicht in de economie van geweld in gebieden boordevol bodemrijkdommen kan een bruikbaar perspectief bieden bij de analyse van conflict en verzet, het gebruik van geweld, gewelddadige actoren en de reacties van instituties. Ikelegbe vertrekt vanuit de theoretische aanname dat er een verband bestaat tussen het voorkomen van ‘primary commodity exports’ en dan specifiek minerale rijkdommen in een land en conflicten of burgeroorlogen. Hij concretiseert dit verband in de vorm van zeven mogelijke banden tussen economie en conflict.

Ikelegbe haalt ook verschillende mogelijke verklaringen aan voor deze ‘economics of war’. Zo kunnen de motieven van bede partijen economisch zijn, of kan de oorlogssituatie voor sommigen een gunstig economisch handelsklimaat betekenen. Het conflict kan ook gaan om de ruimte om de aanwezige grondstoffen te ontginnen, en de aanwezige grondstoffen kunnen ook een belangrijke motivatie zijn voor conflicten tussen buurlanden.

Verder merkt Ikelegbe ook kritisch op dat het niet de aanwezigheid van grondstoffen an sich is dat zorgt voor conflict, maar eerder de hoe hier door verschillende groepen om gestreden/ mee omgegaan wordt. Bovendien kan de motivatie voor een oorlog niet steeds eenvoudigweg teruggebracht worden op hebzucht, maar speelt vaak een hele complexiteit aan factoren een rol. Deze complexiteit kan men aan de hand van theorie rond de ‘economics of conflict’ analyseren.

De economie van het conflict in Nigeria: olie, gas en gewapend verzet
Olie en Gas zijn de belangrijkste exportproducten van Nigeria, die op de zevende plaats staat op de lijst van ’s werelds grootste olieproducenten. De Niger Delta is een olierijk gebied, dat door jarenlange olie-exploratie en ecologische schade voornamelijk bevolkt wordt door een verarmde, gemarginaliseerde etnische groepen. Deze groepen organiseren zich steeds meer in verzetsgroepen, die steeds vaker hun toevlucht zoeken tot geweld om zo hun rechten af te dwingen en zaakjes te doen.

De minderheidsgroepen hebben reeds sinds de jaren vijftig sporen van verzet getoond, omwille van uitsluiting en later het feit dat de centrale overheid (gevormd door de drie grootste etnische groepen in Nigeria) de opbrengsten van de olie-export niet verdeelden onder de lokale bevolking maar central beheerden. Bovendien werd er niet geïnvesteerd in de ontwikkeling van de regio. Bovendien eigende de staat zich land toe in de regio, waardoor velen zich beroofd voelden. De etnische ongelijkheid leidde in de periode ’67-’70 tot een burgeroorlog in Nigeria. Na deze oorlog verbeterde de situatie in de olierijke gebieden van Nigeria er nauwelijks op. In de jaren ‘90 was de hele regio gemobiliseerd door een sterke civiele maatschappij, die zich organiseerde op basis van identiteit en etniciteit. Initieel ging de strijd om zelfbepaling, gelijkwaardigheid en gerechtigheid, waar de verschillende minderheidsgroepen zich, ongeacht etnische afkomst, samen voor inzetten. De contacten met de multinationale bedrijven verliepen via de groepsoversten, en sabotage van de olie-exploratie gebeurde in de vorm van demonstraties, het blokkeren van olie-installaties, …In het geval van de Ogoni hield hun verzetsleider Ken Saro-Wiwa zich voornamelijk bezig met sensibiliseren van de eigen bevolking en van de internationale gemeenschap. De dood van de charismatische leider van het ‘Mouvement for the Survival of the Ogoni People’ zorgde voor verdeeldheid in het kamp, en verminderde internationale steun.

In een tweede fase werd voornamelijk geweld als instrument van verzet ingezet. Dit was een reactie op het militaire antwoord van de overheid op het gevoerde verzet. Bovendien warende verzetsleiders niet langer de elite van de minderheidsgroepen, maar jeugdige strijders die zich groepeerden in milities. Sinds 1997 ontwikkelt zich in Nigeria een economie die teert op de conflictsituatie in het land. Zo creëren de milities eveneens kansen om te verdienen aan de oorlog, onder andere door omkopen en het stelen van ruwe olie of petroleumproducten. Geld valt er te verdienen van de multinationale bedrijven, die soms hun schuld voor schade aan het milieu afkopen door de bevolking in de regio een som geld te geven. Voorheen regelden de bedrijven deze deals met personen uit de bovenlaag van de traditioneel gestructureerde maatschappij. Sinds jonge militanten de plak zwaaien in de communities, nemen zij niet enkel het leiderschap van de gemeenschappen over, maar eveneens de banden met de multinationale bedrijven. Deze jonge milities gebruikten geweld en wapens om de bedrijven onder druk te zetten. Hun eisen zijn vaak werk, sociale faciliteiten, geld, … Ook jegens andere etnische groeperingen of binnen de eigen gemeenschap laait het geweld soms op: dit zijn niet langer partners in het bereiken van een staatsorde waarin de minderheidsgroepen als gelijkwaardig beschouwd en behandeld zouden worden, maar concurrenten in de strijd om winst, om leiderschap, om een plaats op de markt van illegale olie- en petroleumproducten. Zo heeft de strijd om de opbrengst van de grondstoffen de verzetsbeweging een heel andere richting uitgestuurd. De economie van conflict rond olie brengt ook een wapenhandel in beweging, het wordt een manier om de eigen beweging te financieren. Dit gewin zou een motivatie voor het voortzetten van het conflict zijn.

Het stelen van olie en petroleumproducten wordt gezien als een bedreiging van de nationale markt, en als reactie verhoogt de centrale overheid de aanwezigheid van het regeringsleger in het gebied. Zij pakken voornamelijk jonge milities aan, maar slagen er niet in om het illegaal verhandelen van ruwe olie aan banden te leggen: de betrokkenheid van ‘insiders’, elites en buitenlandse medewerkers zou hier een invloed op hebben. Bovendien heerst onder de militairen evenzeer een probleem van corruptie. Zij brengen meer onveiligheid dan veiligheid in de regio. Nigerie is een federale staat, maar de centrale overheid trekt alle beslissingen en winsten van de olie-exploratie naar zich toe. Bovendien lijken ze louter met de bevolking te communiceren door het gebruiken van geweld. Ojakorotu pleit voor een “delegitimation of force in favour of legitimation of dialogue and concensus-building in order tot promote e true federalism that would allow the minorities to benefit from the system” (Ojakorotu, 2006, p. 13)

De multinationale bedrijven die het overgrote deel van de Nigeriaanse olie industrie domineren, lijken, zo stelt Ikelegbe, zich weinig aan te trekken van het milieu of de armoede van de lokale bevolking. Ze hebben een contract met de centrale regering. Het ‘omkopen’ van delen van de bevolking als ecologische compensatie en maakte de weg vrij voor corruptie en conflicten onder de bevolking. Een verdeel-en-heers-tactiek, zo zou men het kunnen noemen.

De internationale gemeenschap lijkt zich steeds meer te interesseren in de Nigeriaanse conflictsituatie, en dit omwille van verschillende motivaties. Sommige landen willen voornamelijk hun landgenoten in veiligheid stellen, anderen werken direct of indirect bij aan de ‘veiligheid’ in het land, door het sturen van troepen (zo werd er een voorstel gedaan tot het sturen van Amerikaanse marinesoldaten om olie-installaties te beveiligen).

Kritische bedenkingen:
De economie lijkt de gehele conflictsituatie in zijn greep te hebben. Het zorgt mede voor het aanhouden van het conflict, aangezien belangrijke spelers verdienen aan de oorlogssituatie.
Het management van de staat is zwak, aangezien de bevolking geen vertrouwen heeft inde de staat; de centrale overheid wordt geleid door een etnische groep die enkel maar geïnteresseerd is in het ‘stelen’ van hun land en hun olie. Bovendien wordt er op alle acties van verzet met overdreven militair geweld geantwoord. Het starten van een dialoog over de directe noden van de bevolking lijkt mij een goed begin, evenals een transparantere werking van de staat, om zo te komen tot een ware federale staat, waarbij de rechten en plichten van de verschillende regio’s duidelijk voorgeschreven en beredeneerd zijn door alle partijen. Deze demilitarisatie van de politiek wordt ook in de basistekst van de International Crisisgroup als mogelijke uitweg aangehaald. (Zo ook in o.a. dit videofragment http://nl.youtube.com/watch?v=zup6FkPm_s0).

Alle spelers op het terrein lijken voornamelijk in een economische relatie tot elkaar te staan, het geweld wordt een drukkingsmiddel om te krijgen wat de bevolking nodig heeft: werk, infrastructuur, geld,…Het feit dat de militieleiders zich in deze conflictsituatie mede lijken te laten leiden door winstbejag, zorgt voor een verderzetting van de conflictsituatie. Is het mogelijk dit uit te klaren? Kunnen politieke en economische motivaties nog wel gescheiden worden, of zitten deze verstrengeld? Hoe kan men dan zorgen voor een einde aan het conflict?

Deze comment gaf ik op basis van volgende teksten:

Ikelegbe, A. (2005). The Economy ofConflict in the Oil Rich Niger Delta Region of Nigeria. Nordic Journal of African Studies 14, (2). 208 - 234.
Ojakorotu, V. (2006). The dynamics of oil and socia movements in the Niger Delta of Nigeria. PORTAL. Journal of Multidisciplinary International Studies, 3 (1).